BXL

Op een bewoond eiland

Dit is een verslag van twee maanden wonen in Brussel tijdens de eerste coronacrisis. Het is een tekst waar ik de hele periode aan geschreven en geschaafd heb. Na jaren van stilstand heb ik het schrijven terug opgerakeld en het terug kunnen voelen. Het is geen ongelooflijk literair stuk geworden. Ik heb mij desalniettemin kunnen uitleven en mij terug kunnen verwonderen in en door het proces van schrijven. 

Een stilgevallen stad | de eerste weken

Sinds ik door de coronamaatregelen in Brussel ben gekluisterd probeer ik veel te wandelen om in beweging te blijven met lichaam en gedachten, en weg te lopen van het dagelijkse werk die, bij gebrek aan andere plekken, voortdurend aan de livingtafel plaats vindt. Ik heb al menig lus gewandeld die samengevoegd in bovenaanzicht een bloem met heel veel gelobde bloembladen vormt, ons appartement als middelknoop.
In het begin van de opgelegde restricties was ik heel fanatiek. Ik werkte uren aan een stuk geconcentreerd door en sprokkelde vervolgens ettelijke kilometers bijeen om de balans van inspanning terug te doen kantelen naar ontspanning. Ik weet nog toen de opgelegde maatregelen van overheidswege in hun aanvangsweek niet heel erg duidelijk waren vastgelegd en niemand wist of we überhaupt ter ontspanning de deur uit mochten, ik overdag nogal benauwd in huis zat, rusteloos, maar aan de vooravond toch de deur uit sloop om, weliswaar met een ongehoorzaamheidsgevoel, mijn kilometers te malen. Ik zat met een mentale weerstand tegenover de vrijheidsbeperking. Het voelde zeer onrechtvaardig aan. Wat mijn eigenzinnig gevoel in stand hield was dat er amper beweging op straat was. Mijn ervaring was dat een bezoek aan de supermarkt veel gevaarlijker was om het virus op te rapen of zelf over te dragen dan een wandelingetje in de stad.
Toen uiteindelijk de nationale veiligheidsraad in die beginweken de regels ondubbelzinnig vastlegde was ik niet meer te houden. We werden zelfs aangemoedigd om in open lucht te bewegen, zolang je het maar alleen deed of met het gezin en in constante beweging bleef. Ik was dus helemaal niet illegaal de deur uitgestapt, integendeel! Zolang ik vanaf onze voordeur begon en fysiek daar ook kon eindigen was er geen vuiltje aan de lucht. Het gevoel dat mijn vrijheid was ingeperkt bestond sindsdien niet meer. En dus ging ik afgelopen weken de oevers van ons gewest opzoeken.

Dwalen in een stad

Ten zuidwesten van Anderlecht, aan het uiterste puntje van Metro 5 kronkelt de gewestgrens, meanderend met de Vogelzangbeek. Daarachter zag ik de glooiende akkers van het Pajottenland, eind maart nog ongeploegd en onbezaaid.
Een week later wandelde ik in het uiterste noordwesten in de Molenbeekvallei en de vochtige moerasgebieden van Ganshoren. Eind maart was het daar nog te vroeg om bloeiende irissen te zien, de bloem als embleem van ons gewest omdat die gedijt in de van oudsher aanwezige vochtige moerassen. Overal doorheen het gewest ontdekte ik wel de overgebleven toponiemen in wijk- en straatnamen die verwijzen naar de drooggelegde broeken en moerassen.
Begin april nam ik overal bloesems waar. Nooit waren die in de jaren dat ik hier woon mij zo opgevallen. Bij de eerste tekenen van de lente ben ik normaal gezien niet te houden om eropuit te trekken, weg uit de stad, die in de naweeën van de winter enkel grijs en grauw op mij afkomt. Dit voorjaar zat ik noodgedwongen middenin de stad en zag hier de kleuren terugkomen.
Halverwege april, in het meest zuidelijke punt stuitte ik midden in het Zoniënwoud op de kaarsrechte grens met Vlaanderen. De knoppen van de beukenbomen waren net uitgebarsten tot een bescheiden bladerendek waar het blauw van de lucht nog door te zien was.
Maar de plekken waar ik het duidelijkst de seizoensverandering heb waargenomen zijn de parken die ik met maandelijkse tussenpozen bezocht. Midden maart wandelde ik – het was jaren geleden – in het Josaphatpark in Schaarbeek, volledig in winterse sferen ondergedompeld, behalve de aangeplante voorjaarsbloeiers. Toen ik anderhalve maand later het park terug betrad herkende ik mij niet meer. De bloemen waren verdwenen maar park was een weelderig groene oase geworden. Volledig aan de andere kant van het gewest heb je het Dudenpark in Vorst waar je precies in de Ardennen bent.
In allerlei straten en parken waan ik me in een ander land. Italiaanse lanen, Parijse Boulevards, Turkse straten of New Yorkse zichten. Ik ontwerp mijn eigen reis in de straten waar ik woon en puzzel de stad bij elkaar. Spoorwegen die zich via tunnels en viaducten doorheen de stad wurmen, probeer ik bovengronds hun tracé te volgen. De nationale wegen die hier aan de kleine ring ontspruiten naar alle richtingen van het land heb kwam ik iedere dag tegen wanneer ik weer eens een windrichting had gekozen om naartoe te wandelen.
Ik heb hier de zee gevonden. Het in beton opgetrokken kanaal Brussel-Charlerloi. Wanneer ik in Molenbeek op de kaden wandel heb ik eenzelfde gevoel als wanneer ik op het Noordzeestrand wandel. Het komt door de open vlakte waar de wind vrij spel heeft. Het suizen van de wind in mijn oren doet alle geluiden verdwijnen en geeft me eenzelfde soort gevoel als aan zee. De ervaring correspondeert. Is dat niet eigenaardig?
Echte open waterlopen vond ik alleen aan de buitenkanten van het gewest. Bijna alle grachten zijn ingebuisd en in tunnels gestoken, net zoals de Zenne. De rivier zag ik voorheen iedere dag vanuit de trein, hoe die zich plooide tussen de sporen aan het Zuidstation. Tijdens mijn wandelingen heb ik de Zenne alleen maar in het uiterste noorden van het gewest gezien, daar waar die letterlijk onder de fabrieken tevoorschijn komt in Haren-Buda, om direct de grens met Vlaanderen over te steken. Daar wandelde ik in een stukje niemandsland, ergens in de jaren tachtig, tussen de verlaten fabrieken en stuk gereden kasseiwegen. Ik zag daar de rijkswacht passeren in gedachten en in een oud Volkwagenbusje.
Ik kwam ook terug op plekken die ik ontdekte in de begintijden van mijn leven hier, zo’n zeven jaar geleden. Op mijn manier, wat wil zeggen dat ik stap en blijf stappen met een ongekende honger om nieuwe stukken aan mijn puzzel toe te voegen. Ik ontdekte oude stukken als nieuw en ontdekte nieuwe verbindingen door evenwijdige straten of andere verbindingen te maken, verbindingen tussen de verschillende gemeenten van het gewest.

Thuisgekomen

Onze straat ligt pal in de vijfhoek en is één van de drukste doorvoerstraten met forenzen en toeristen. Twee maand was het hier doodstil, met af en toe een passant, meestal aan het bellen en in het gezelschap van een plastic zak van de supermarkt. In de namiddag fietsten soms enkele ramptoeristen van buiten het centrum vol verbazing een lege Grote Markt op. Een rare gewaarwording, het ontbreken van het constante gewauwel van een mensenmassa, de afwezigheid van rammelende kasseien, geen toerende auto’s, geen voorbijsuizende vliegtuigen, auto’s die voor lange tijd geparkeerd stonden om er stof te vangen, gras die begon te groeien in de spleten van voetpaden en pleinen. Het was precies autoloze zondag waar de wandelaars en fietsers het lieten afweten. Brussel was voor even een uitgestrekt dorp met enkel zijn inwoners. Er waren geen straatmuzikanten die in continue herhaling het thema van The Godfather, Despacito en Con Te Partiro te berde brachten. Het enige onveranderde maar opvallende in het straatbeeld waren de zwervers en daklozen die af en toe met elkaar voor enige opschudding zorgden in voor de rest ingedutte stad.
In het nieuws hoorde ik dat we in oorlog waren met een onzichtbaar virus. Ik denk dat het een beetje is zoals naar een museum gaan over oorlog. Je ziet de beelden, maar zelf zit je thuis in alle comfort het front te volgen, met de gedachte dat het virus mij wel niet te pakken zal krijgen. Maar enkele dagen later na het zien van de verschrikkelijke beelden uit onze eigen ziekenhuizen stuurde ik mijn mening bij, om liefst een milde vorm van corona te krijgen zodat ik immuun zou worden. Een egoïstische gedachte die snel evolueerde in het absoluut niet willen krijgen na het nieuws van mijn geboortefront Ieper, waar het virus lelijk aan het toeslaan was.
Ik hield in deze periode voor de eerste keer in mijn leven een gesprek met een dakloze. In het park van Brussel sprak hij me aan en voor de eerste keer hield ik halt. Het was een normaal gesprek over de toestand in het land. Hij vroeg me ook enkele artikels op CNN voor te lezen zodat hij kon horen hoe het was in een wereld met een overheersend virus. Ik gaf hem uiteindelijk geen geld. In de maanden van de lockdown heb ik geen bankbriefje of muntstuk in mijn zakken gehad.
De bovenbuur begon plots iedere dag op zijn gitaar te tokkelen. Doorheen de stad kwamen geluiden van instrumenten uit openstaande ramen de straat op gewaaid. Trompetten, mandolines, saxofoons, piano’s, dwarsfluiten en één enkele trombone. Die laatste kreeg meermaals applaus te horen van toevallige passanten. Ik stond namelijk, zoals altijd met zomerse temperaturen met openstaande balkondeuren te repeteren. Maar doordat alle andere geluid was weggevallen zweefden mijn noten tot ver de straten in. Hoe paradoxaal het klinkt, maar hoe minder mensen op straat, hoe meer publiek ik had die mij konden horen spelen. Het gaf wel een kick als ik een bescheiden tweemansapplaus kreeg na het spelen van mij studies.

Wanneer dit over is

Ik wandelde in een bijna verlaten netwerk van spoor-, water-, autowegen. Een ouderwets web die geconnecteerd is met onze buurgewesten en zelfs ver daarbuiten. Ik zat opgesloten in een stilgevallen Europees middelpunt of tussenstation. Brussel was even van ons, een grote familie Robinson, die na een schipbreuk hier ooit zijn gestrand. Toen de stad afgelopen tijd alle grote fonteinen aan het vullen was hoorde ik het kletterende water al op grote afstand. Dat moment ga ik koersteren. Want straks zal het heel snel als vanouds zijn, alsof er geen virus is gepasseerd afgelopen twee maand. Deze laatste week zag ik al de tram in de knoop zitten tussen de auto’s. Ik weet niet of ik zomaar terug wil naar de tijd toen er van een coronavirus nog geen sprake was. Wanneer dit over is wil ik niet terug naar het normale. En kan ik eigenlijk wel een zin starten met “wanneer dit over is…”? Wat wil ik behouden of veranderen na deze ervaring? Deze coronawandelingen kan ik overal op deze wereld stappen.

De Coronawandelingen_Brussel_BE_13.03/11.05.2020

Vroege vogels

Wij worden sinds enkele maanden gewekt met het gekwetter van een koppel vogels die af en toe een koekoek op visite krijgt. Het geluid, genaamd “vroege vogel”, werd geprogrammeerd door mijn lief op zijn alarmapp. Maar sinds het aantreden van de lente worden wij voor het krieken van de dag gewekt door een echt exemplaar. Die heeft zich gevestigd op een boogscheut van ons slaapkamerraam. Aangezien wij door vogelklanken geprogrammeerd zijn is van lang slapen geen sprake meer. Daardoor hebben wij begin deze week beslist om met een ander geluid wakker te worden: een noodsignaal die ons waarschuwt om zo snel mogelijk in een atoomschuilkelder te vluchten. De vogel blijkt alsnog niet te zijn gaan vliegen.

Brussel_BE_17.04.2020

De wachtkamer

‘Spoor 4. De IC-trein naar Brussel-Centraal van 18u59 heeft een vermoedelijke vertraging van twintig minuten. We houden u verder op de hoogte.’

Ik kijk op vanuit mijn gedachten en zoals een bliksem een eenzame boom treft op een open veld besef ik: ‘Brussel-Centraal? Ik bén in Brussel-Centraal!’
Geschrokken pak ik mijn rugzak en verlaat ik de wachtkamer.

Posted in Map