Afscheid van Sem

Deze ochtend kwam vrij onverwacht het telefoontje dat Sem zeer plotseling is overleden. Toen ik vier jaar geleden afscheid nam van de twee poezebeesten dacht ik nog lang op bezoek te kunnen. Bijna acht jaar is hij geworden, wat voor een kat zeer jong is. Ik herinner me hem als heel lief en soms zo onbeholpen, maar die altijd zijn plekje kon veroveren en zeer aanhankelijk was. Soms was hij niet de grootste durfal, in tegenstelling tot zijn grote neef Casper, maar hij stond zijn mannetje. Heel veel sterkte aan iedereen in het huis daar in Gent. Het zal een beetje stiller geworden zijn nu…

Een diepe put (3)

Tussen verschillende werelden

Vaak heb ik het gevoel dat ik tegelijkertijd in verschillende werelden sta. Met mijn ene been sta ik bijvoorbeeld in het nu en met mijn andere in het digitale. Dit is een zeer concreet en hedendaags fenomeen. Alleen maakt het alles een beetje ingewikkelder. Tegelijkertijd ergens zijn én ergens aan denken die verschillend is van elkaar. Vroeger had ik dat vaak wanneer ik met de auto reed en plots besefte ettelijke kilometer verder te zijn. Zo erg ernstig als tegenwoordig had ik dat nooit. Zou het echt een fenomeen van deze tijd zijn? Ik zwalp tussen lichamelijke en geestelijke statussen. Dat maakt dat geen van beide intens beleefd worden. Behalve bij serie kijken, lezen, concerten en waarom ook niet eens mijn werk te vernoemen. En dan nog! Trouwens, romantiseer ik vroeger niet? Was ik ook niet vlug afgeleid?

Android op vliegtuigmodus. Windows op stiltetijd.

Op dit ogenblik zou ik één status moeten zijn. Die van het nu. Er zou niets anders mogen zijn die mij kan afleiden buiten enkele oerelementen: een tikkende klok, pratende mensen op straat, het ruisen van de koelkast. In mijn ooghoek staat een piano en trombone mij in stilte gezelschap te houden. Samen met de leegte? Dat laatste vraag ik me af. Ik ben zo gewoon met dit ding te leven dat ik niet meer doorheb wanneer het eventjes minder is. Door de ambacht van het schrijven van dit vehikel van een tekst lijkt het wel te krimpen. Hoe kan niks nu verminderen?

Ik las een verhaal over mensen in een oorlog. Ik kan me niet voorstellen dat zij met zulke dingen bezig zijn. Zij moeten overleven. Letterlijk. Of hebben zij ook dagelijkse beslommeringen buiten eten zoeken, schuilen, vluchten of vechten? Als ik mijn toestand relativeer zijn mijn zorgen maar onaangenaamheden. Hebben die mensen ook dat lege gevoel? Het langgerekte niets voelen. Of is het leven alleen maar een eenvoudige weg van geboorte naar dood, net als een rivier van bron naar oceaan stroomt en af en toe wervelt in een maalstroom… ik ben ondertussen in een status waarin ik waterdruppels leven geef. Hoe mooi is dat. Kan dat stromen van water ook in mijn diepe put? Het lijkt me een geruststellende gedachte dat het stromen van leven eenvoudig is. Toch heb ik het gevoel dat ik het eigenhandig ingewikkeld wil maken, want alleen dan kan er geen leegte zijn. Ondertussen lijkt het oorlogsverhaal gestrand in mijn gedachten. Zelfs zonder afleiding leid ik mezelf af. Maar daardoor begint water wat te kronkelen. Kleine draaikolkjes wervelen hier en daar. Was dit niet wat er zou moeten zijn toen ik afdaalde in de lege put? Een bemoedigend gevoel maakt zich meester van mij. Een kraan lijkt te zijn ontzegelt. Druppeltjesgewijs. Gedachten beginnen te sijpelen en ervaar ik enkele barsten naar andere werelden. Ik wrik met mijn opengehaalde vingers de scheuren verder open. Ik kijk naar beneden en zie plots de bodem van de put. Woorden vallen en vormen zinnen. Volle zinnen! Een mysterieus gevoel overspoeld mij en doet me drijven naar een andere wereld.


Eergisteren luisterden (en keken (ik vind dat moeilijk kiezen, ga je kijken of ga je luisteren naar concert?)) we naar het symfonie.orkest.vlaanderen in het concertgebouw van Brugge. Ze brachten er onder meer Janánček’s Sinfonietta. Of hoe boeken van Murakami heel af en toe mijn leven aanraken. Zijn boek 1q84 begint in een taxi ergens in Tokio, met de Sinfonietta die op de radio speelt. Bij het direct horen van de Sinfonietta begon er mij het een en ander te dagen. Ik kende het stuk zeer goed. Maar bij het voelen van de vijf delen deed het mij wegdromen naar zoveel uiteenlopende verhalen. Het was voor één keer geen gevecht om te leegte te bestrijden.

Een diepe put (2)

Gevoelens

Al een paar jaar probeer ik de put vol te laten lopen. Met de gedachte dat ik dan wel terug naar boven drijf en zo terug over de rand kan kruipen. Alleen, hoe start ik zo’n proces in de eerste plaats? Ik vind geen sleutel, laat staan een veer om op te winden. Een kraan om wagenwijd open te zetten heb ik nog niet gevonden. Misschien moet er iets dramatisch gebeuren? Geen doden, dat hoeft niet. Zo egocentrisch ben ik ook weer niet.

Ik heb er afgelopen maanden met een paar mensen over gepraat. Telkens hebben ze een zekere zin van herkenning. Een volle agenda en toch dat leeg gevoel, alsof er een lege agenda is. Misschien maak ik hier een denkfout. Heeft wat je doet er mogelijkerwijs niet zo veel mee te maken. Ik leg de link naar aanleiding van persoonlijke ervaringen. Want er zijn wel degelijk bepaalde periodes geweest met een volmaakte gemoedstoestand waarin ik meegesleurd werd in boeken, reizen, ontmoetingen, concerten… en daardoor een groots en intens gevoel kreeg. Nu ben ik bij de psycholoog, na 35 jaar op deze aardbol te leven, tot de conclusie gekomen dat gevoel niet in mijn hoofd afspeelt, maar ergens in mijn buik. Dat wist ik niet en zet mijn wereld volledig op zijn kop. Ik ken als gevolg daarvan alleen maar extremen als woede, verdriet of verliefdheid… Sindsdien ben ik als het ware op zoek naar gewone gevoelens. Deze die in de dagelijkse cirkelgang  zitten. Als die al bestaan. Immers, ik verslind bijvoorbeeld nog altijd boeken. Ze geven me alleen niet het intense gemoed die ik had toen ik begon te lezen. Wanneer ik nu albums luister ben ik niet meer zoals vroeger wekenlang mij geconcentreerd aan de muziek aan het toewijden om er zo geraakt door te zijn dat ik die wil analyseren en ontleden. Nu is er die altijd durende sleur. En ik heb niet eens kinderen en een groot huishouden om voor te zorgen. Maar misschien is dat laatste ook een denkfout. Dan omdat ik er geen ervaring mee heb.

Is leegte een luxeprobleem? Ik bedoel luxe als in “is het wel een probleem”? Verkeer ik niet simpelweg in een evenwichtstoestand die leeg wordt aangevoeld? Ik bevind me in een negatieve noch in een positieve gemoedstoestand. Of kunnen we dit leeg zijn eenvoudigweg omkeren naar vol zijn. Misschien voel ik mij wel vol? En kan er niks meer bij.


Tussentijdse dienstmededeling: Ik kreeg een paar rechtstreekse vragen en enkele via Parijs rond naar Brussel of alles wel goed gaat met mij. Ik kan daar alleen maar met “ja” op antwoorden. Waarschijnlijk is de titel van deze reeks een aanleiding tot bezorgdheid. Een diepe put. Dat klinkt negatief. Ik stond er niet bij stil. Het is mijn beeldvorming van een toestand die ik zelf niet zo goed begrijp en hier probeer in woorden te brengen, en dit naar aanleiding van het boek De opwindvogelkronieken. Het gaat dus niet zo slecht met mij. Alleen is er daar dat lege gevoel. Zoals ik de boeken van Murakami ervaar, heb ik meer en meer het gevoel dat er geen ultieme oplossing is in het leven maar er stromingen en richtingen zijn. Klinkt nogal zweverig? Het is niet mijn bedoeling, maar het is mijn odyssee van het leven. Ik doe nog enkele pogingen om er een draai aan te geven in vervolgafleveringen.

Ik ben pensioengerechtigd…

Pensioen… in 2042. Dat is nog iets meer dan 25 jaar voor de boeg. Niet dat ik daar per se wakker van lig (buiten dan over het financiële plaatje (hoeveel moet je opzij zetten om nu zo veel mogelijk uit je leven te halen en toch nog iets over te houden zodat je tijdens je pensioen niet altijd boterhammen met gehakt moet eten?)). De nieuwssite dertien maakte vorige week reclame om op de website van de rijksdienst voor Pensioenen eens te gaan piepen wanneer je op pensioen mag gaan. Je kunt dat ook doen beste lezers uit België. Neem alvast identiteitskaart en -lezer bij de hand.

Ik heb het gevoel dat ik nog maar begonnen ben met werken, zelfs al ben ik toch al ruim 15 jaar bezig. Dat voelt als een pak minder aan. Wanneer ik achter mij kijk en al die gedane projecten zie, wat er best veel zijn, blijf ik met een ontzettend hongergevoel in nog meer projecten zitten. Dat ik later, wanneer we door het Vlaemsche land rijden, kan zeggen tegen mijn denkbeeldige kleinkinderen: “Mannekes, hier heb ik dat bos nog geplant!” of “Toen ze deze snelweg aanlegden hebben wij alle doorgesneden waterlopen terug aan elkaar genaaid en een nieuwe bedding gegeven” of “Hier hebben we strepen in het landschap getrokken”. Ik praat altijd alsof ik die werken zelf doe maar in feite heb ik nog geen spade in de grond gestoken. Dat dit een open doel is voor mensen die het niet voor ambtenaren hebben besef ik ook wel. Die perceptie kan ik toch niet veranderen. Ook al knaagt dat soms wel hoor (nu heb ik het toch maar gezegd).

Ik heb een belofte met mezelf gedaan om zoveel mogelijk te profiteren. Ik heb het over de tijd buiten mijn werkuren, wat had je gedacht! Ik heb te veel mensen gekend die tot hun pensioen wachtten om aan hun leven te beginnen die hun pensionering nooit gehaald hebben. Dat zit bij mij al heel erg lang in mijn hersenpan gekerfd. Het is ook de reden waarom ik iedere vakantiedag spendeer aan reizen. Dat hoeft niet altijd in het buitenland te zijn. Al spreken de statistieken dat misschien tegen. Een vriend van mijn leeftijd zei me een paar jaar geleden dat hij het niet erg zou vinden om dood te gaan. Hij was er namelijk van overtuigd dat hij het maximum uit zijn leven aan het halen was. Dat vond ik eerst zeer luguber. Nu vind ik dat hij gelijk heeft. Blijkt dat de meeste mensen wanneer ze langzaam hun kaarsje uitblazen het meest spijt hebben dat ze bepaalde haalbare dingen gewoon niet gedaan hebben. Al besef ik soms te weinig dat ik in een luxe leef. Laat dat pensioen dus nog maar even wachten. Ik heb nog veel te veel te doen.


Strepen trekken in landschappen is een running joke onder mijn vrienden. Die denken dat ik alleen maar strepen trek in weilanden. Al was er een jaar dat ze er niet ver naast zaten. Laatst hadden we het met mijn collega’s over hoe zij probeerden wat voor werk ze doen uit te leggen aan hun familie en vrienden. Dat blijkt niet makkelijk te zijn. Ook na jarenlange ervaring. Vorige week was ik een kwartier enthousiast aan het praten over mijn werk tegen een kennis. Mijn lief heeft me achteraf gezegd dat hij nog altijd niet weet wat ik concreet doe. Best wel veel. En zeer uiteenlopend.

De teloorgang van de cd-speler

Binnen enkele dagen komt de eerste cd-box uit in een lange reeks met remasters van de albums van Phil Collins. Ik weet niet wanneer jij voor het laatst een cd hebt afgespeeld, laat staan gekocht, maar ik moet al heel eind in de tijd terug gaan. Ergens in november 2014 woonde ik een concert van Peter Gabriel bij en kon nadien de opname van het concert bestellen. Dat vond ik nu eens een zeer originele aankoop! Daarvoor kocht ik in 2008 alle albums van Genesis met alle remasters in 5.1 surround sound. Mijn aankopen van echte muziek zijn op zijn minst gezegd beperkt geweest de laatste jaren en dan nogal eenzijdig gericht op dezelfde groep* en de solocarrières van de bandleden. Bijna al mijn andere albums van vroeger heb ik van de hand gedaan toen ik kleiner ging wonen in Brussel. Waarom zou ik nog investeren in echte cd’s? Ik zie me niet zeulen met een hoop hoesjes zoals geitenwollensokker. Toen ik mijn nieuwe laptop enkele weken geleden kocht, bouwden ze er geen cd-speler meer in zodat ik officieel geen cd-speler meer heb. Gelukkig heb ik de overgebleven cd’s geript en in de cloud geplaceerd zodat ik ze ten allen tijde kan afspelen.

Nu ik mijn verzamelwoede ga stillen met terug een aankoop van enkele echte cd’s moet ik dus op zoek naar een cd-speler. Een mens kan blijkbaar te veel mee zijn met de tijd. Elpees draaien kunnen we dankzij de speler van mij lief. Om cd’s af te spelen ga ik mij ook moeten verhopen op zijn net gekochte Playstation 4. Die is ingebouwd met een blue ray speler en is het enige machien in de buurt die ouderwetse schijfjes kan lezen. Daarna zal ik nog op zoek moeten naar een computer met cd-lezer om die cd’s te rippen. Of zal Phil gelijk zijn ambtsgenoot Peter ook een link meeleveren waar de nummers te downloaden zijn? Dan zullen die boxen waarlijk ook alleen maar pronkstukken worden. Ik kan ook de vinyls kopen. Dan zijn we daadwerkelijk volledig terug waar we begonnen zijn.


*Een kleine uitleg is op zijn plaats: Phil Collins is de zanger van de groep Genesis van 1975 tot en met 1996 en van 2007 tot heden. Peter Gabriel was de eerste leadzanger van 1969 tot en met 1975.

Link: https://nl.wikipedia.org/wiki/Genesis_(band)

lifeMap 2015

Het einde van het jaar is in zicht en dat betekent een nieuw blad op mijn lifeMap!

lifeMap 2015

Draaipunt

Wanneer ik in mijn onregelmatige pendelgedrag bij toeval de trein in Brugge van 17 uur en oneffen richting Luik neem, kom ik hem steevast bij de wisseling van de reizigers in Brussel Zuid tegen. Hij neemt altijd de eerste wagon, wat we samen gemeen hebben. Het is daar een pak rustiger. Ik heb de man met de stempel des oordeels gemerkt als geitenwollensokker. Omdat hij nogal warrig ongekamde plukken schaamhaar op zijn hoofd heeft en meestal een wollen trui draagt. Dat hij daar tegenwoordig hip mee is zal zijn worst wel wezen. Ik besloot hem in dat vakje te klasseren op basis van uiterlijk. Hij draagt versleten bruine schoenen. In de zomer sandalen, met uiteraard zwarte kousen. Verder heb ik geen idee wie deze man is of wat hij doet om den brode. Hij moet rond eind de veertig zijn.

Ofschoon de man alleen is, gaat hij iedere keer op een vierzit plaatsnemen en claimt de zitplaats naast hem door er zijn jas en rugzak te leggen. In het volgende station zal de trein volstromen. Dan moet hij doorgaans zijn inboedel op zijn schoot nemen. Toch aanvaardt hij iedere keer het risico. Uit zijn rugzak haalt hij een discman en ouderwetse grote koptelefoon en vervangt de beluisterde cd door een ander exemplaar dat hij uit het originele cd-doosje neemt. Ik stel mij altijd voor dat hij een hele collectie cd-doosjes bij zich heeft en dat hij ’s ochtends, voor hij de deur uit stapt, voor zijn muziekcollectie staat en in zijn binnenste voelt welke albums hem roepen. Die steekt hij dan in zijn rugzak om tijdens zijn treinreizen te luisteren. Hij is de enige man die ik ken dat nog cd’s afspeelt. Ik heb alleen maar een kapotte DVD-drive op mijn laptop. Daar konden cd’s mee worden afgespeeld. De meeste heb ik trouwens van de hand gedaan. Ze stonden alleen maar stof te vergaren.

Doe jij dit nog beste lezer? Een album afspelen. Een volledig album zoals het gemaakt is. Van voor naar achter zonder skippen of spoelen? Zoals geschreven en bedoeld door de muzikanten. Of op de langspeelplaten, waar ze de liedjesvolgorde in elkaar puzzelden, rekening houdend met de beperkte lengte van beide zijden van de elpee. In mijn jeugd van weleer was er enkel een platendraaier (en een radio vastgeroest op BRT2). Ik herinner de geur van het vinyl, die vrijkomt wanneer de plaat uit de binnenhoes wordt gehaald. “Je moet de plaat beetpakken aan de randen of zijn label op je vingers balanceren om geen zweet- of vetvlekken op het zwarte vinyl achter te laten. En nooit vergeten, het stof met een fluwelen borsteltje wegvegen”. Ik moet me concentreren wanneer ik het gat van de plaat door het staafje van het draaiplateau schuif. Nauwkeurig verzet ik de mechanische knop met veer om de platenmachine te starten. Gezoem, geklik en gespok. En net vooraleer de muziek begint, wanneer de naald de groeven raakt hoor ik de kraken van de plaat.

Eenzelfde soort handeling heb je ook met een cd. Sterk vereenvoudigd. Maar toch. Wat ben ik heerlijk nostalgisch. Geitenwollensokker klikt op de playknop van zijn discman en gaat er rustig bij zitten, kijkend naar buiten. Ik loer hem af via de weerspiegeling van het treinraam. Ik besef dat ik maar in het wilde weg naar muziek luister. Steeds op zoek naar de leukste liedjes. Geen tijd nemend om de minder toegankelijke songs te ontdekken. Waar is de tijd dat het weken duurde vooraleer een bepaalde track ergens op een album werd aanvaard of geapprecieerd? Ik kijk op naar de man die tijd neemt om te luisteren. Ik voel nijd, misschien wel afgunst. Niet op zijn sokken en sandalen. Wat ben ik een idioot. Waarom schiet ik mijn pijlen op hem? Het is ik die iets heb verleerd.

Terwijl ik voortdurend nieuwsgierig ben naar nieuwe tijdperken en op zoek ga naar ongekende technische snufjes haalt deze man mij naar deze toestand van gemis. Wat zit ik hem hier iets te misgunnen? Er zijn mogelijkheden zat. Nu op dit moment heb ik keuze, uit wel tienduizenden albums tegelijkertijd. Met mijn vettige vingers hoef ik maar te zoeken en te kiezen. Ik hoef maar op een knopje te duwen en het geheugen kiest er eentje uit. Dan kan ik rustig luisteren met mijn ogen op oneindig. Of ik kan de teksten volgen zoals vroeger, met het hoesje op de schoot. Terwijl de berichten blijven komen, nog voor het album is gehalveerd.

Duke, Genesis

In 1980 was het album Duke bedoeld als een 30 minuten durende suite dat een volledige kant van een plaat zou bevatten. Het vertelt het verhaal van een fictief persoon, de geboren loser Albert. Uiteindelijk heeft de band de songs uit elkaar getrokken en het album verder aangevuld met nog andere. Ze wilden de vergelijking vermijden met het eerder uitgebrachte epische ‘Supper’s Ready’ uit 1973.

Duke’s Suite, zoals eerst bedoeld, hier geknipt en geplakt:

Lieve Passagiers

Met honderden word je in enkele seconden als het ware ingezogen en kwak je, als je niet snel een paal in je handen hebt, ergens tegenaan. Ziektekiemen genoeg op zo’n paal. Te mijden, zeker voor een mens met smetvrees als ik, weliswaar in afleiding*. Om uw verbeelding wat te helpen: ik heb het over de tijd om in te stappen in een metro en je direct schrap te zetten vooraleer het ding er met een rotvaart vandoor gaat.

Spannend was die keer dat ik in een school kinderen terecht kwam. Ik kon me net vergrijpen aan de juffrouw voor ik een kind ging vertrappelen. De kinderen waren eigenlijk nog rustig. Waarschijnlijk waren die gedrild om in zo’n drukke situaties gewoon te doen wat ze moeten doen. Ik heb dat toen ik klein was nooit geleerd. Ik ging met de fiets naar school. Tussen de koeien. De kinderen kwetterden er ondertussen op los en dat in tegenstelling tot andere pendelaars. Mensen vertellen amper iets tegen elkaar, terwijl de meeste gewoon in een collectieve wachtmodus zitten. Jammer vind ik dat toch. Ook al werk ik zelf mee aan die stilte. Ik lees een boek of luister muziek en neem daarmee niet deel aan de bewaking van de tijd, maar ook niet aan sociaal contact. Anderen verzamelen rijen snoep op hun mobiel apparaat – ik weet niet of dat dan wel de moeite van de tijd is? Ik ben gestopt op level in de vierhonderd en liefst voorgoed. Al die verhalen die daar voor het rapen liggen! Niemand die een onbekende aanspreekt. In New York daarentegen sprak er ons direct iemand aan toen we net aankwamen en de metro zochten. Zo spontaan! Direct daarna vroeg hij geld voor zijn hulpvaardigheid. We waren meteen een illusie armer.

Een paar weken terug dan, was ik ergens in de diepe westhoek uit een trein gevallen en op weg met de bus. Er was verder niemand, behalve dan de bestuurder en mijn machien**. Ik voelde me alleen te vergelijken met een soort heimwee, niet dat ik huis mistte, maar gewoon mensen om me heen. Passerend in een tussenliggend dorpje pikte de chauffeur nog een verdwaalde reiziger op. Die merkte mij meteen op en kwam regelrecht mijn territorium binnengewandeld. Of em een klapke met mij mocht doen en in één adem vertelde hij dat hij op weg was naar zijn lief, dat hij twee jaar van school was en als timmerman werkte en eerst ramen en nu wegens te saai heuse keukens in elkaar timmerde. Ik was meteen enthousiast en had mijn boek al in mijn rugzak gestoken. We keuvelden over alledaagse dingen. Dat ik in Brussel woonde, in Brugge werkte en nu op weg was naar mijn ouders in Ieper***. Of hoe je elkaars levensverhaal in een kwartier met elkaar deelt. Veel te snel moest ik afstappen, met een brede glimlach en de gedachte dat ik dat meer zou moeten doen. Maar durf ik dat wel?

Ik heb een paar vrienden die, wanneer ze op de trein zitten altijd wel in een gesprek verwikkeld raken. Hoe doen die dat toch? Een tijd terug sprak iemand mij aan op een feestje. Hij had mij al een paar keer zien zitten op de trein. Hij durfde mij echter niet aanspreken. Ik zat altijd zo boos te kijken en in mijn boek te lezen deelde hij mij mee. Dat was confronterend om te horen! Kijk ik zo chagrijnig als ik geconcentreerd ben? Nu zit ik iedere dag op de trein met een lach tot achter mijn oren, zelfs als ik triestige passages zit te lezen. En of het werkt! Deze morgen sprak ik met maar liefst vier mensen. Vier lieve collega’s die niet zo toevallig naar dezelfde vergadering als ik in Oostende moesten zijn.

* het werkwoord afleiden, als in tegenovergesteld van opleiden. Ik ben in afleiding is in deze dus een positieve evolutie. Terwijl ik vroeger geen paal in mijn handen durfde nemen, valt dit nu al geregeld doch selectief voor. Leve de bacteriën van een ander!

** machien: in de volksmond meestal foutief schuiftrompet genoemd.

*** ik lieg altijd als ik zeg dat ik van Ieper vandaan kom. Dat is uit praktische overwegingen omdat het naastliggende dorpje waar ik opgegroeid ben nogal onbekend is en ik zo minder woorden moet gebruiken om uit te leggen (terwijl de leugens hier elkaar opvolgen: ik ben weldegelijk geboren in Ieper en zo lieg ik technisch gezien niet als ik zeg dat ik daar ook vandaan kom).

Geschreven op een treinreis van Oostende naar Brugge. Trouwens, op dit moment zit iedereen rondom mij te slapen of de Libelle te lezen. Niemand ziet mij. Nu kan ik toch nog snel even boos kijken!

Ochtendwandeling

Ik herinner het me alsof het gisteren was. Het begin van de zomer. De kortste nacht van het jaar was een paar dagen eerder al gepasseerd. Ik had, toen ik ging slapen, niet door dat mijn langste nacht net begonnen was. Het was warm buiten, binnen broeierig heet. Ik lag al uren in bed te woelen. Buiten viel al het leven stil. Een vreemde gewaarwording als je midden in de stad woont. Ik was net verhuisd naar Brussel. De stad had nog al zijn mysteries.

Wat er na uren wachten door mijn hoofd spookte, waren steeds terug kerende herhalingen van gedachten en beelden. Beelden die uiteindelijk verzonnen raakten. Veronderstellingen (Is het niet zo dat als we nadenken het meestal over dingen gaat die we nog niet kennen?). Zo baarde ik een waanvoorstelling, een nachtmerrie geschapen uit een wakkere droom. Op dat moment stap je beter uit bed, loop je naar boven* en doe je iets. De volharding om te moeten slapen deed me blijven liggen. De slaap kwam niet. Het spookbeeld verdween evenmin. Pas toen ik de eerste tekenen van licht ontdekte tussen de kieren van het rolgordijn, stapte ik uit bed, deed mijn kleren aan, trok ik mijn schoenen aan, grabbelde ik mijn sleutel mee en daalde de trap af richting voordeur. De tegenstelling tussen het lange wachten en dit kordate handelen kon niet groter zijn. Het was een zondagmorgen. Ik deed de deur open en stapte de stad in. Enkele feestvierders zwalpten in de straat en lalden iets in het Frans naar mij. Ik verstond het pas een minuut later toen het in mijn hoofd begon te dagen, maar ik was al uit hun zicht verdwenen. Ik verliet het centrum en wandelde zonder enig doel naar de bovenstad. Ik ontdekte de straten van de Marollen en de Zavel, in het wilde weg, op een vroege ochtend, in het begin van de zomer.

Ik wandel in een stad die nog geen tekenen vertoont van ontwaken. In bepaalde cafés is er echter nog licht en zie ik mensen dansen. Spots boven de toog stralen hun licht door het raam en kleuren de grijze trottoirtegels. Als de deur opengaat en een nachtelijke bezoeker de buitenlucht opzoekt slaat het lawaai me tegemoet. De uitgaanssfeer kan ik niet rijmen met mijn stemming. Ik wandel verder en passeer talloze kunstgalerijen. Ik vertraag en kijk in de etalages. Ik word rustiger van al de creaties. Ik geraak geïnspireerd. Mijn donkere gedachten krijgen een eerste deuk. Ik raak gefascineerd van alles wat ik op mijn pad tegen kom. Na nog wat dwalen bereik ik de Kapellekerk, waakhond over de duizenden pendelaars die dagelijks over de noord-zuidverbinding sporen. Ik klim het skatepark op en kijk tussen de tralies door naar de rails die leiden naar de Zuidertoren. Het treinverkeer moet nog op gang komen. Ik loop via een steile skatehelling naar beneden en sta aan het begin van de Boulevard de l’Empereur en wandel richting noordstation. Rechthoeken en modules. Heel eenvoudige gebouwen. Een eenheid. Functioneel. Plots een stukje oude vestingsmuur, verscholen tussen twee blokken. Langgerekte kantoren en appartementen van maar enkele verdiepingen hoog. Het modernisme van begin vorige eeuw. Ik steek de brug over met op het plein onder mij 89 blauwe vlaggen op gele masten. Wanneer ik de voet van de Kunstberg bereik zie ik het licht in het oosten stilletjes het donker verdrijven. Sterren zijn nog net zichtbaar door het zwerk. Ik zoek de maan, tevergeefs. Bovenaan de kunstberg zie ik de witte neoklassieke toren van de Coudenbergkerk en iets meer naar beneden de Art Nouveaugevel van het MIM. Al die indrukken ’s ochtends vroeg zonder de mensen van overdag geven mij een sereen gevoel. Links kijk ik naar de oude benedenstad. Mijn straat. De spichtige toren van het stadhuis die de lucht doorklieft. Enkele statige gevels van oude burgerwoningen – of hoe het hier voor de eerste wereldoorlog overal uitzag, vooraleer de bulldozers en de treinen kwamen. Ik wandel verder en passeer de hoofdingang van het Centraal Station. Ik hoor de aankondigingen van de eerste treinen naar buiten echoën. Taxi’s staan aan te schuiven. Ik bevind me op de grens van verschillende tijdperken. Ik waan me in de Middeleeuwen, de industriële revolutie en het modernisme tegelijkertijd. Verhalen komen tot leven. Baronnen in koetsen, Duitse soldaten in kolonne, een begrafenis van een koning in de kathedraal… Een auto rijdt voorbij en haalt me uit mijn mijmeringen. Ik passeer de imposante zuilen van de Nationale Bank en krijg zicht op de Finance Tower. Er straalt een kalmte uit de soberheid van de gebouwen. Tussen enkele ambtenarengebouwen door klim ik een hobbelige kasseiwegje op richting Koningsstraat. Bij het eeuwig brandende vuur van de Congreskolom laat ik me zakken op de trapjes. Al die indrukken geven me een vredig gevoel. Ik voel me alleen. Een eenzaam gevoel overspoeld me bijna… mijn ogen vallen dicht. Ik val in slaap…

*de slaapkamer bevindt zich beneden, dat klinkt vreemd voor mensen die in huizen wonen

Ruimtewandeling

Deze ochtend voelde ik me zwaar ten moede. Het is een uitdrukking die ik even leen uit de Nederlandse vertalingen van verschillende boeken van Haruki Murakami en drukt mijn gemoed enigszins het beste uit. Ik vond niet meteen een oorzaak. Soms laat ik gewoon mijn oren hangen. Dan lijkt alles, zelfs de lucht die ik inadem, loodzwaar en benauwd. Zelfs wolkeloze hemels helpen dit zomerkind op zo’n momenten niet. Het heeft me ettelijke uren en jaren gekost om mij over dit gevoel te zetten. Verloren tijd?

Ik pak voor een keer geen boek om in een andere wereld terecht te komen maar zet mijn kopteledinges op mijn oren. Dan ga ik op wandel of stap ik in een trein. Ik observeer mijn omgeving zonder het geluid van mijn omgeving. Het geluid vervang ik. Mijn gedachten zijn mijn bondgenoot. Diverse denkbeelden beginnen aan een reis maar verdwalen na een tijd. En net wanneer de chaos de overhand lijkt te nemen verlies ik schijnbaar mijn bewustzijn en ontstaat er een verhaal. Misschien een verhaal uit een andere wereld? Of een parallelle wereld? Misschien kom jij er wel in voor? Met dan de juiste woorden? Het echte beeld is al lang weg gevallen. Ik ben alleen. Ik voel me alleen. Ergens tussen werelden.

Dan ontwaak ik. Ik kijk om me heen. Ik zie overal mensen. Ze bevinden zich in hun eigen verhaal. Hier of ergens anders. Tijd is verstreken.