Hoofdstuk 2

Draaipunt

Wanneer ik in mijn onregelmatige pendelgedrag bij toeval de trein in Brugge van 17 uur en oneffen richting Luik neem, kom ik hem steevast bij de wisseling van de reizigers in Brussel Zuid tegen. Hij neemt altijd de eerste wagon, wat we samen gemeen hebben. Het is daar een pak rustiger. Ik heb de man met de stempel des oordeels gemerkt als geitenwollensokker. Omdat hij nogal warrig ongekamde plukken schaamhaar op zijn hoofd heeft en meestal een wollen trui draagt. Dat hij daar tegenwoordig hip mee is zal zijn worst wel wezen. Ik besloot hem in dat vakje te klasseren op basis van uiterlijk. Hij draagt versleten bruine schoenen. In de zomer sandalen, met uiteraard zwarte kousen. Verder heb ik geen idee wie deze man is of wat hij doet om den brode. Hij moet rond eind de veertig zijn.

Ofschoon de man alleen is, gaat hij iedere keer op een vierzit plaatsnemen en claimt de zitplaats naast hem door er zijn jas en rugzak te leggen. In het volgende station zal de trein volstromen. Dan moet hij doorgaans zijn inboedel op zijn schoot nemen. Toch aanvaardt hij iedere keer het risico. Uit zijn rugzak haalt hij een discman en ouderwetse grote koptelefoon en vervangt de beluisterde cd door een ander exemplaar dat hij uit het originele cd-doosje neemt. Ik stel mij altijd voor dat hij een hele collectie cd-doosjes bij zich heeft en dat hij ’s ochtends, voor hij de deur uit stapt, voor zijn muziekcollectie staat en in zijn binnenste voelt welke albums hem roepen. Die steekt hij dan in zijn rugzak om tijdens zijn treinreizen te luisteren. Hij is de enige man die ik ken dat nog cd’s afspeelt. Ik heb alleen maar een kapotte DVD-drive op mijn laptop. Daar konden cd’s mee worden afgespeeld. De meeste heb ik trouwens van de hand gedaan. Ze stonden alleen maar stof te vergaren.

Doe jij dit nog beste lezer? Een album afspelen. Een volledig album zoals het gemaakt is. Van voor naar achter zonder skippen of spoelen? Zoals geschreven en bedoeld door de muzikanten. Of op de langspeelplaten, waar ze de liedjesvolgorde in elkaar puzzelden, rekening houdend met de beperkte lengte van beide zijden van de elpee. In mijn jeugd van weleer was er enkel een platendraaier (en een radio vastgeroest op BRT2). Ik herinner de geur van het vinyl, die vrijkomt wanneer de plaat uit de binnenhoes wordt gehaald. “Je moet de plaat beetpakken aan de randen of zijn label op je vingers balanceren om geen zweet- of vetvlekken op het zwarte vinyl achter te laten. En nooit vergeten, het stof met een fluwelen borsteltje wegvegen”. Ik moet me concentreren wanneer ik het gat van de plaat door het staafje van het draaiplateau schuif. Nauwkeurig verzet ik de mechanische knop met veer om de platenmachine te starten. Gezoem, geklik en gespok. En net vooraleer de muziek begint, wanneer de naald de groeven raakt hoor ik de kraken van de plaat.

Eenzelfde soort handeling heb je ook met een cd. Sterk vereenvoudigd. Maar toch. Wat ben ik heerlijk nostalgisch. Geitenwollensokker klikt op de playknop van zijn discman en gaat er rustig bij zitten, kijkend naar buiten. Ik loer hem af via de weerspiegeling van het treinraam. Ik besef dat ik maar in het wilde weg naar muziek luister. Steeds op zoek naar de leukste liedjes. Geen tijd nemend om de minder toegankelijke songs te ontdekken. Waar is de tijd dat het weken duurde vooraleer een bepaalde track ergens op een album werd aanvaard of geapprecieerd? Ik kijk op naar de man die tijd neemt om te luisteren. Ik voel nijd, misschien wel afgunst. Niet op zijn sokken en sandalen. Wat ben ik een idioot. Waarom schiet ik mijn pijlen op hem? Het is ik die iets heb verleerd.

Terwijl ik voortdurend nieuwsgierig ben naar nieuwe tijdperken en op zoek ga naar ongekende technische snufjes haalt deze man mij naar deze toestand van gemis. Wat zit ik hem hier iets te misgunnen? Er zijn mogelijkheden zat. Nu op dit moment heb ik keuze, uit wel tienduizenden albums tegelijkertijd. Met mijn vettige vingers hoef ik maar te zoeken en te kiezen. Ik hoef maar op een knopje te duwen en het geheugen kiest er eentje uit. Dan kan ik rustig luisteren met mijn ogen op oneindig. Of ik kan de teksten volgen zoals vroeger, met het hoesje op de schoot. Terwijl de berichten blijven komen, nog voor het album is gehalveerd.

Duke, Genesis

In 1980 was het album Duke bedoeld als een 30 minuten durende suite dat een volledige kant van een plaat zou bevatten. Het vertelt het verhaal van een fictief persoon, de geboren loser Albert. Uiteindelijk heeft de band de songs uit elkaar getrokken en het album verder aangevuld met nog andere. Ze wilden de vergelijking vermijden met het eerder uitgebrachte epische ‘Supper’s Ready’ uit 1973.

Duke’s Suite, zoals eerst bedoeld, hier geknipt en geplakt:

Lieve Passagiers

Met honderden word je in enkele seconden als het ware ingezogen en kwak je, als je niet snel een paal in je handen hebt, ergens tegenaan. Ziektekiemen genoeg op zo’n paal. Te mijden, zeker voor een mens met smetvrees als ik, weliswaar in afleiding*. Om uw verbeelding wat te helpen: ik heb het over de tijd om in te stappen in een metro en je direct schrap te zetten vooraleer het ding er met een rotvaart vandoor gaat.

Spannend was die keer dat ik in een school kinderen terecht kwam. Ik kon me net vergrijpen aan de juffrouw voor ik een kind ging vertrappelen. De kinderen waren eigenlijk nog rustig. Waarschijnlijk waren die gedrild om in zo’n drukke situaties gewoon te doen wat ze moeten doen. Ik heb dat toen ik klein was nooit geleerd. Ik ging met de fiets naar school. Tussen de koeien. De kinderen kwetterden er ondertussen op los en dat in tegenstelling tot andere pendelaars. Mensen vertellen amper iets tegen elkaar, terwijl de meeste gewoon in een collectieve wachtmodus zitten. Jammer vind ik dat toch. Ook al werk ik zelf mee aan die stilte. Ik lees een boek of luister muziek en neem daarmee niet deel aan de bewaking van de tijd, maar ook niet aan sociaal contact. Anderen verzamelen rijen snoep op hun mobiel apparaat – ik weet niet of dat dan wel de moeite van de tijd is? Ik ben gestopt op level in de vierhonderd en liefst voorgoed. Al die verhalen die daar voor het rapen liggen! Niemand die een onbekende aanspreekt. In New York daarentegen sprak er ons direct iemand aan toen we net aankwamen en de metro zochten. Zo spontaan! Direct daarna vroeg hij geld voor zijn hulpvaardigheid. We waren meteen een illusie armer.

Een paar weken terug dan, was ik ergens in de diepe westhoek uit een trein gevallen en op weg met de bus. Er was verder niemand, behalve dan de bestuurder en mijn machien**. Ik voelde me alleen te vergelijken met een soort heimwee, niet dat ik huis mistte, maar gewoon mensen om me heen. Passerend in een tussenliggend dorpje pikte de chauffeur nog een verdwaalde reiziger op. Die merkte mij meteen op en kwam regelrecht mijn territorium binnengewandeld. Of em een klapke met mij mocht doen en in één adem vertelde hij dat hij op weg was naar zijn lief, dat hij twee jaar van school was en als timmerman werkte en eerst ramen en nu wegens te saai heuse keukens in elkaar timmerde. Ik was meteen enthousiast en had mijn boek al in mijn rugzak gestoken. We keuvelden over alledaagse dingen. Dat ik in Brussel woonde, in Brugge werkte en nu op weg was naar mijn ouders in Ieper***. Of hoe je elkaars levensverhaal in een kwartier met elkaar deelt. Veel te snel moest ik afstappen, met een brede glimlach en de gedachte dat ik dat meer zou moeten doen. Maar durf ik dat wel?

Ik heb een paar vrienden die, wanneer ze op de trein zitten altijd wel in een gesprek verwikkeld raken. Hoe doen die dat toch? Een tijd terug sprak iemand mij aan op een feestje. Hij had mij al een paar keer zien zitten op de trein. Hij durfde mij echter niet aanspreken. Ik zat altijd zo boos te kijken en in mijn boek te lezen deelde hij mij mee. Dat was confronterend om te horen! Kijk ik zo chagrijnig als ik geconcentreerd ben? Nu zit ik iedere dag op de trein met een lach tot achter mijn oren, zelfs als ik triestige passages zit te lezen. En of het werkt! Deze morgen sprak ik met maar liefst vier mensen. Vier lieve collega’s die niet zo toevallig naar dezelfde vergadering als ik in Oostende moesten zijn.

* het werkwoord afleiden, als in tegenovergesteld van opleiden. Ik ben in afleiding is in deze dus een positieve evolutie. Terwijl ik vroeger geen paal in mijn handen durfde nemen, valt dit nu al geregeld doch selectief voor. Leve de bacteriën van een ander!

** machien: in de volksmond meestal foutief schuiftrompet genoemd.

*** ik lieg altijd als ik zeg dat ik van Ieper vandaan kom. Dat is uit praktische overwegingen omdat het naastliggende dorpje waar ik opgegroeid ben nogal onbekend is en ik zo minder woorden moet gebruiken om uit te leggen (terwijl de leugens hier elkaar opvolgen: ik ben weldegelijk geboren in Ieper en zo lieg ik technisch gezien niet als ik zeg dat ik daar ook vandaan kom).

Geschreven op een treinreis van Oostende naar Brugge. Trouwens, op dit moment zit iedereen rondom mij te slapen of de Libelle te lezen. Niemand ziet mij. Nu kan ik toch nog snel even boos kijken!

Ochtendwandeling

Ik herinner het me alsof het gisteren was. Het begin van de zomer. De kortste nacht van het jaar was een paar dagen eerder al gepasseerd. Ik had, toen ik ging slapen, niet door dat mijn langste nacht net begonnen was. Het was warm buiten, binnen broeierig heet. Ik lag al uren in bed te woelen. Buiten viel al het leven stil. Een vreemde gewaarwording als je midden in de stad woont. Ik was net verhuisd naar Brussel. De stad had nog al zijn mysteries.

Wat er na uren wachten door mijn hoofd spookte, waren steeds terug kerende herhalingen van gedachten en beelden. Beelden die uiteindelijk verzonnen raakten. Veronderstellingen (Is het niet zo dat als we nadenken het meestal over dingen gaat die we nog niet kennen?). Zo baarde ik een waanvoorstelling, een nachtmerrie geschapen uit een wakkere droom. Op dat moment stap je beter uit bed, loop je naar boven* en doe je iets. De volharding om te moeten slapen deed me blijven liggen. De slaap kwam niet. Het spookbeeld verdween evenmin. Pas toen ik de eerste tekenen van licht ontdekte tussen de kieren van het rolgordijn, stapte ik uit bed, deed mijn kleren aan, trok ik mijn schoenen aan, grabbelde ik mijn sleutel mee en daalde de trap af richting voordeur. De tegenstelling tussen het lange wachten en dit kordate handelen kon niet groter zijn. Het was een zondagmorgen. Ik deed de deur open en stapte de stad in. Enkele feestvierders zwalpten in de straat en lalden iets in het Frans naar mij. Ik verstond het pas een minuut later toen het in mijn hoofd begon te dagen, maar ik was al uit hun zicht verdwenen. Ik verliet het centrum en wandelde zonder enig doel naar de bovenstad. Ik ontdekte de straten van de Marollen en de Zavel, in het wilde weg, op een vroege ochtend, in het begin van de zomer.

Ik wandel in een stad die nog geen tekenen vertoont van ontwaken. In bepaalde cafés is er echter nog licht en zie ik mensen dansen. Spots boven de toog stralen hun licht door het raam en kleuren de grijze trottoirtegels. Als de deur opengaat en een nachtelijke bezoeker de buitenlucht opzoekt slaat het lawaai me tegemoet. De uitgaanssfeer kan ik niet rijmen met mijn stemming. Ik wandel verder en passeer talloze kunstgalerijen. Ik vertraag en kijk in de etalages. Ik word rustiger van al de creaties. Ik geraak geïnspireerd. Mijn donkere gedachten krijgen een eerste deuk. Ik raak gefascineerd van alles wat ik op mijn pad tegen kom. Na nog wat dwalen bereik ik de Kapellekerk, waakhond over de duizenden pendelaars die dagelijks over de noord-zuidverbinding sporen. Ik klim het skatepark op en kijk tussen de tralies door naar de rails die leiden naar de Zuidertoren. Het treinverkeer moet nog op gang komen. Ik loop via een steile skatehelling naar beneden en sta aan het begin van de Boulevard de l’Empereur en wandel richting noordstation. Rechthoeken en modules. Heel eenvoudige gebouwen. Een eenheid. Functioneel. Plots een stukje oude vestingsmuur, verscholen tussen twee blokken. Langgerekte kantoren en appartementen van maar enkele verdiepingen hoog. Het modernisme van begin vorige eeuw. Ik steek de brug over met op het plein onder mij 89 blauwe vlaggen op gele masten. Wanneer ik de voet van de Kunstberg bereik zie ik het licht in het oosten stilletjes het donker verdrijven. Sterren zijn nog net zichtbaar door het zwerk. Ik zoek de maan, tevergeefs. Bovenaan de kunstberg zie ik de witte neoklassieke toren van de Coudenbergkerk en iets meer naar beneden de Art Nouveaugevel van het MIM. Al die indrukken ’s ochtends vroeg zonder de mensen van overdag geven mij een sereen gevoel. Links kijk ik naar de oude benedenstad. Mijn straat. De spichtige toren van het stadhuis die de lucht doorklieft. Enkele statige gevels van oude burgerwoningen – of hoe het hier voor de eerste wereldoorlog overal uitzag, vooraleer de bulldozers en de treinen kwamen. Ik wandel verder en passeer de hoofdingang van het Centraal Station. Ik hoor de aankondigingen van de eerste treinen naar buiten echoën. Taxi’s staan aan te schuiven. Ik bevind me op de grens van verschillende tijdperken. Ik waan me in de Middeleeuwen, de industriële revolutie en het modernisme tegelijkertijd. Verhalen komen tot leven. Baronnen in koetsen, Duitse soldaten in kolonne, een begrafenis van een koning in de kathedraal… Een auto rijdt voorbij en haalt me uit mijn mijmeringen. Ik passeer de imposante zuilen van de Nationale Bank en krijg zicht op de Finance Tower. Er straalt een kalmte uit de soberheid van de gebouwen. Tussen enkele ambtenarengebouwen door klim ik een hobbelige kasseiwegje op richting Koningsstraat. Bij het eeuwig brandende vuur van de Congreskolom laat ik me zakken op de trapjes. Al die indrukken geven me een vredig gevoel. Ik voel me alleen. Een eenzaam gevoel overspoeld me bijna… mijn ogen vallen dicht. Ik val in slaap…

*de slaapkamer bevindt zich beneden, dat klinkt vreemd voor mensen die in huizen wonen

Ruimtewandeling

Deze ochtend voelde ik me zwaar ten moede. Het is een uitdrukking die ik even leen uit de Nederlandse vertalingen van verschillende boeken van Haruki Murakami en drukt mijn gemoed enigszins het beste uit. Ik vond niet meteen een oorzaak. Soms laat ik gewoon mijn oren hangen. Dan lijkt alles, zelfs de lucht die ik inadem, loodzwaar en benauwd. Zelfs wolkeloze hemels helpen dit zomerkind op zo’n momenten niet. Het heeft me ettelijke uren en jaren gekost om mij over dit gevoel te zetten. Verloren tijd?

Ik pak voor een keer geen boek om in een andere wereld terecht te komen maar zet mijn kopteledinges op mijn oren. Dan ga ik op wandel of stap ik in een trein. Ik observeer mijn omgeving zonder het geluid van mijn omgeving. Het geluid vervang ik. Mijn gedachten zijn mijn bondgenoot. Diverse denkbeelden beginnen aan een reis maar verdwalen na een tijd. En net wanneer de chaos de overhand lijkt te nemen verlies ik schijnbaar mijn bewustzijn en ontstaat er een verhaal. Misschien een verhaal uit een andere wereld? Of een parallelle wereld? Misschien kom jij er wel in voor? Met dan de juiste woorden? Het echte beeld is al lang weg gevallen. Ik ben alleen. Ik voel me alleen. Ergens tussen werelden.

Dan ontwaak ik. Ik kijk om me heen. Ik zie overal mensen. Ze bevinden zich in hun eigen verhaal. Hier of ergens anders. Tijd is verstreken.

De wachtkamer

Een engel hoog in de zon: ‘Aandacht spoor 4. De IC-trein naar Brussel-Centraal van 18u59 heeft een vermoedelijke vertraging van twintig minuten. Gelieve ons hiervoor te verontschuldigen.’

Ik kijk plots op vanuit mijn gedachten en zoals een bliksem een eenzame boom treft op een open veld besef ik: ‘Brussel-Centraal? Ik bén in Brussel-Centraal!’
Geschrokken pak ik mijn rugzak en verlaat ik de wachtkamer.