Stilte in een belegerde stad

Zondagmiddag, toen we ons appartement verlieten, liepen enkel een paar verdwaalde toeristen op straat. Wij wonen in de voetgangerszone waar het normaal koppen lopen is. De metro was al voor de tweede dag niet meer operationeel. In de wachtrij van de broodjeszaak sloten we aan op wat militairen in gezelschap van hun mitraillettes. Het voelde bizar aan maar ik wilde mij niet ongerust maken. Het waren in mijn ogen voorzorgsmaatregelen in een land dat geteisterd werd door slechte perscommentaren. Ik wilde vooral niet toegeven aan een bangmakerij en kon er niet bij dat een stelletje terroristen mijn doen en laten zomaar konden bepalen. Toen Wim en ik ’s avonds nietsvermoedend na een dagje wellness terug richting Brussel wilden rijden, hadden we die dag nog geen nieuws of journaal gezien.

Het begon ons snel te dagen dat er iets niet in de haak was. Vrienden en kennissen begonnen ons via allerlei digitale kanalen vragen te stellen of we nog wel veilig waren. We checkten daarom onmiddellijk de krantensites en sociale media. Ik zag verschillende foto’s van straten uit onze buurt afgespannen met politielinten en bewaakt door politie en soldaten. Op dat ogenblik was de wereldpers de straten rondom ons appartement aan het volgen. Niemand mocht in en uit.

Ik wilde gewoon naar huis rijden. Alsof ik niet wilde geloven wat ik zonet gelezen had. Wim belde meteen het noodnummer 1771. Hij stelde de simpele vraag of het centrum van Brussel bereikbaar was met de auto en of onze straat niet afgesloten was. Een vriendelijk mevrouw vertelde dat ze daarover geen informatie gekregen had. We konden gewoon naar huis en moesten alleen ter plaatse de instructies van de politie en het leger volgen. De mevrouw van het noodnummer had ons voor een deel gerust gesteld. Met een onbegrijpelijk gevoel reden we naar Brussel. De wegen werden steeds kalmer naarmate we de binnenring naderden. We wisten niet aan wat ons moesten verwachten.

De invalswegen naar de Brusselse vijfhoek waren niet afgesloten. Er reden amper auto’s. Hier en daar snelden ons politiecombi’s met gillende sirenes voorbij. Ik parkeerde de Cambio in de buurt van de kathedraal en we stapten uit. Onmiddellijk werden we overspoeld door stilte. De hoofdstad die nooit ophield met leven was doods. Brussel was een spookstad geworden. Je kon letterlijk een blad horen vallen.

We wilden zo snel mogelijk thuis zijn en wandelden richting Grasmarkt. Net toen we het plein betraden, zagen we een patrouille soldaten op ons afkomen. Net als in een film gaven ze in stilte tekens aan elkaar en slopen ze richting de ondergrondse parkeergarage. Ze verdwenen een voor een in het gat van de inrit. Daarachter, in achtervolging een cameraman van een of ander televisiestation die heel het manoeuvre registreerde. Wij liepen dit alles gewoon in tegengestelde richting voorbij. Was dit echt? Er leek ergens in de stad een veldslag aan de gang en wij waren naar de voorshow aan het kijken. Alsof we in een wachtrij van een pretpark stonden, waar wij de enige bezoekers waren.

Het was tien uur ’s avonds. Het viel me op dat alles er zeer proper bij lag na een dag zonder veel toeristen. Bijna alle cafés en restaurants waren gesloten. Alleen café Rubens deed alsof er niets aan de hand was. De verwarmingselementen gloeiden op het terras, bijna verlaten, op een bejaard dametje na. Ze zat koffie te drinken en sloeg de militaire operatie van daaruit gade. Enkele tafels verder een man van in de vijftig die gewoon zat te werken aan zijn computer. We wandelden verbaasd verder en konden even via een zijstraat een glimp van Grote Markt zien. Legervoertuigen en een enkele toerist die foto’s aan het schieten was. Verder niemand.

In onze straat toch dat ene alledaagse: de dakloze die sinds enkele weken bij het vallen van de avond in het portaal van de Di kwam slapen, lag er nu ook. In die vreemde stilte bereikten we de voordeur. Hoe kalm we beiden ook waren, we waren opgelucht binnen te zijn.

Televisiebeelden passeerden met daarop onze belegerde buurt. Via Facebook wou ik iedereen gerust stellen dat we ok waren maar op vraag van de politie communiceerde ik niet op sociale media. We barricadeerden ons raam die geen luiken heeft met een grote fotokader, om toch de inkomende splinters in eerste instantie tegen te houden. Of hoe je in zo’n situatie, hoe graag je jezelf wilt zijn in je eigen nest, je toch die kleine abnormale dingen doet. Iets na elven kwam het nieuws dat de actie voorbij was. We zijn naar bed gegaan en heel snel in slaap gevallen. De nacht bleef rustig.

Maandagmorgen ging ik werken. De vuilniskar was de dagelijkse ronde aan het doen en dat gaf mij even dat normale gevoel die er anders altijd zou zijn. Uiteraard was er weinig volk op straat en Centraal Station spuwde amper reizigers uit.

We zijn nu enkele dagen later. Mijn plan om te gaan joggen in het park van Brussel heb ik een week uitgesteld. Het leven gaat gewoon door, ook hier in de belegerde stad vol politie, militairen en televisiestations. Horeca en winkels wachten op bezoekers. De werknemers proberen er het beste van te maken, maar iedereen vreest dat het de komende wintermaanden niet zo gezellig druk gaat zijn als andere jaren. Ik hoop dat wij, de Brusselaars, snel de stad weer kunnen innemen en leven!

Brussel_Centraal_Televisiestations

Maandagavond. Een meute verslaggevers, wachtend voor een live verslag op een of ander journaal ter wereld.

Eén reactie

Wil je iets vertellen?