Tag: Geschreven te Brussel op de tafel in de woonkamer

Ochtendwandeling

Ik herinner het me alsof het gisteren was. Het begin van de zomer. De kortste nacht van het jaar was een paar dagen eerder al gepasseerd. Ik had, toen ik ging slapen, niet door dat mijn langste nacht net begonnen was. Het was warm buiten, binnen broeierig heet. Ik lag al uren in bed te woelen. Buiten viel al het leven stil. Een vreemde gewaarwording als je midden in de stad woont. Ik was net verhuisd naar Brussel. De stad had nog al zijn mysteries.

Wat er na uren wachten door mijn hoofd spookte, waren steeds terug kerende herhalingen van gedachten en beelden. Beelden die uiteindelijk verzonnen raakten. Veronderstellingen (Is het niet zo dat als we nadenken het meestal over dingen gaat die we nog niet kennen?). Zo baarde ik een waanvoorstelling, een nachtmerrie geschapen uit een wakkere droom. Op dat moment stap je beter uit bed, loop je naar boven* en doe je iets. De volharding om te moeten slapen deed me blijven liggen. De slaap kwam niet. Het spookbeeld verdween evenmin. Pas toen ik de eerste tekenen van licht ontdekte tussen de kieren van het rolgordijn, stapte ik uit bed, deed mijn kleren aan, trok ik mijn schoenen aan, grabbelde ik mijn sleutel mee en daalde de trap af richting voordeur. De tegenstelling tussen het lange wachten en dit kordate handelen kon niet groter zijn. Het was een zondagmorgen. Ik deed de deur open en stapte de stad in. Enkele feestvierders zwalpten in de straat en lalden iets in het Frans naar mij. Ik verstond het pas een minuut later toen het in mijn hoofd begon te dagen, maar ik was al uit hun zicht verdwenen. Ik verliet het centrum en wandelde zonder enig doel naar de bovenstad. Ik ontdekte de straten van de Marollen en de Zavel, in het wilde weg, op een vroege ochtend, in het begin van de zomer.

Ik wandel in een stad die nog geen tekenen vertoont van ontwaken. In bepaalde cafés is er echter nog licht en zie ik mensen dansen. Spots boven de toog stralen hun licht door het raam en kleuren de grijze trottoirtegels. Als de deur opengaat en een nachtelijke bezoeker de buitenlucht opzoekt slaat het lawaai me tegemoet. De uitgaanssfeer kan ik niet rijmen met mijn stemming. Ik wandel verder en passeer talloze kunstgalerijen. Ik vertraag en kijk in de etalages. Ik word rustiger van al de creaties. Ik geraak geïnspireerd. Mijn donkere gedachten krijgen een eerste deuk. Ik raak gefascineerd van alles wat ik op mijn pad tegen kom. Na nog wat dwalen bereik ik de Kapellekerk, waakhond over de duizenden pendelaars die dagelijks over de noord-zuidverbinding sporen. Ik klim het skatepark op en kijk tussen de tralies door naar de rails die leiden naar de Zuidertoren. Het treinverkeer moet nog op gang komen. Ik loop via een steile skatehelling naar beneden en sta aan het begin van de Boulevard de l’Empereur en wandel richting noordstation. Rechthoeken en modules. Heel eenvoudige gebouwen. Een eenheid. Functioneel. Plots een stukje oude vestingsmuur, verscholen tussen twee blokken. Langgerekte kantoren en appartementen van maar enkele verdiepingen hoog. Het modernisme van begin vorige eeuw. Ik steek de brug over met op het plein onder mij 89 blauwe vlaggen op gele masten. Wanneer ik de voet van de Kunstberg bereik zie ik het licht in het oosten stilletjes het donker verdrijven. Sterren zijn nog net zichtbaar door het zwerk. Ik zoek de maan, tevergeefs. Bovenaan de kunstberg zie ik de witte neoklassieke toren van de Coudenbergkerk en iets meer naar beneden de Art Nouveaugevel van het MIM. Al die indrukken ’s ochtends vroeg zonder de mensen van overdag geven mij een sereen gevoel. Links kijk ik naar de oude benedenstad. Mijn straat. De spichtige toren van het stadhuis die de lucht doorklieft. Enkele statige gevels van oude burgerwoningen – of hoe het hier voor de eerste wereldoorlog overal uitzag, vooraleer de bulldozers en de treinen kwamen. Ik wandel verder en passeer de hoofdingang van het Centraal Station. Ik hoor de aankondigingen van de eerste treinen naar buiten echoën. Taxi’s staan aan te schuiven. Ik bevind me op de grens van verschillende tijdperken. Ik waan me in de Middeleeuwen, de industriële revolutie en het modernisme tegelijkertijd. Verhalen komen tot leven. Baronnen in koetsen, Duitse soldaten in kolonne, een begrafenis van een koning in de kathedraal… Een auto rijdt voorbij en haalt me uit mijn mijmeringen. Ik passeer de imposante zuilen van de Nationale Bank en krijg zicht op de Finance Tower. Er straalt een kalmte uit de soberheid van de gebouwen. Tussen enkele ambtenarengebouwen door klim ik een hobbelige kasseiwegje op richting Koningsstraat. Bij het eeuwig brandende vuur van de Congreskolom laat ik me zakken op de trapjes. Al die indrukken geven me een vredig gevoel. Ik voel me alleen. Een eenzaam gevoel overspoeld me bijna… mijn ogen vallen dicht. Ik val in slaap…

*de slaapkamer bevindt zich beneden, dat klinkt vreemd voor mensen die in huizen wonen