Over mij en haar

Met mijn haar

Gisteren heb ik mij laten knippen. Mijn haar hé, zoals de titel ook al liet vermoeden. Ik ga daarvoor naar Brussel. Gewoon. Omdat ik geen bekwame coiffeurs ken in de rest van Europa. Dat mijn lief er voor iets tussen zit, is al wat dichter bij de waarheid. Die gaat te voet naar Gilbert en Jean-Jacques. En ik sinds vorige keer ook. Dat ik daarvoor anderhalf uur respectievelijk op de fiets, trein en metro moet zitten, verzwijg ik even. Pas op, laatst zag ik een filiaal van Gilbert en Jean-Jacques in Rome. Dat is met het vliegtuig. Dus zo overdreven doe ik ook weer niet.

Het ritueel om naar de kapper gaan, start altijd een paar weken eerder. Dan vraag ik aan mijn vrienden of ik mijn haar lang moet laten of kort moet knippen. De meningen zijn altijd verdeeld. Doorgaans kiezen de vrouwen voor lang. Omdat ze dat sexyer vinden bij mannen. De jongeheren van rond mijn leeftijd gaan meestal voor kort. Omdat ik er dan jonger uitzie is de motivatie. En “Ge ziet er uit gelijk Justin Bieber” kreeg ik ook eens naar mijn kop met twee maand lang haar geslingerd. Ikzelf heb een nogal verdeelde mening die wijzigt naargelang de stand van de maan.

Dus had de kapper de eer om er iets van te maken. Mijn haren vlogen serieus in het rond.  Niet dat hij zo wild was, maar ge kunt van mijn stijle haar tandenborstels maken. En dat springt nogal. Het bleef echter spannend tot op vijf minuten van de finish. Toen zette hij pas serieus de schaar in mijn emolokken vooraan en kortwiekte ze met enkele centimeters…

Kort, noch lang. Zo moet ik mijn nieuwe haar omschrijven. Op dit ogenblik kort genoeg om het iedere dag een kwartier lang naar alle windstreken te blazen. Binnen enkele weken, als ik dat feunen moe ben, lang genoeg om het Biebergewijs te laten liggen. En dan kan ik terug het ritueel starten en de vraag stellen.

Bloedbad

Over haar gesproken. Mijn haar föhnen (bij deze is mijn taalfout uit mijn vorig bericht rechtgezet) doe ik iedere dag. Ik zie dat ook zitten! Je hebt daar een zekere creativiteit en resultaat mee. Maar waarom heeft God dan nog haar op mijn kaken en kinnebak voorzien? En dat dat persé nog zo snel moet groeien! Dat heeft toch voor niets en niemendal zin? Je moet dat ne keer beginnen bijhouden om altijd, zoals in de reclame, glad uit te zien. En bloeden! En tegen dat al die wonden dicht geslibd raken! Om nog maar te zwijgen van alle miserie die je krijgt als zo’n wondje een paar uur later open gaat. Vooral in vergaderingen of restaurant of trein of erger: ik ben eens midden in een solo moet stoppen met spelen omdat een wondje danig begon te bloeden. Op een repetitie weliswaar. Maar ik zat daar mijn kaak te deppen, terwijl de dirigent die mij nodig had.

De reden van al die bloedgevallen zal wel mijn autodidactisch en ongeduldig rakelen zijn. En dan nog met van die wegwerpspullementen. En heel waarschijnlijk ook wel het aantal dagen dat er tussen zit. Vergelijk het gras afrijden na 3 weken. Dat gaat ook niet bijzonder vanzelf. Misschien had ik voor mijn verjaardag een echt ding moeten vragen. Zo’n, door ingenieurs uitgevonden 34-delige messenset met rubberen handvat. Of ik moet iedere dag naar een snelle barbier gaan.

De huidige toestand

Leefwereld

Het laatste jaar zijn de verhoudingen zo omgedraaid dat ik van het mooie en vredige stadje waar ik vertoef, er een saai oord van heb gemaakt. Ik heb het geprobeerd, maar de stad heeft gewonnen. Ik raak er niet binnen. Moeilijk is het om een deel van het volk te worden. Daarbij moet ik zeker de hand in eigen boezem steken. Meer en meer trok ik de laatste jaren het binnenland in. Omdat er daar, naar mijn bescheiden mening, meer te doen was.

Na lange tijd kwaad en ellendig te hebben gekeken naar het ‘grote dorp’ kan ik niet anders dan toegeven: ik ben niet gemaakt om het hier nog langer uit te zingen. Niet dat het altijd kommer en kwel is geweest. Maar uiteindelijk doe ik hier niets anders dan wonen en werken  (en naar de muziekschool en de academie gaan). Toevallig dingen waar de mensen het meeste belang aan hechten. Ik zie echter één ding niet in mijn lijstje: leven.

Dit tekstje mag dan wel heel kort door de bocht zijn. Het vertelt uiteindelijk wel de essentie van de verhouding met, voorlopig nog, mijn stad, Brugge. Ik weet niet of ik nog meer uitleg zal geven komende tijd. Misschien heb ik het onderwerp afgesloten en kijk ik nu alleen nog naar de toekomst. Naar een nieuwe stad. Eentje die al in mijn hoofd zit. En daar nog wel heel even blijft.

You’re my best friend

Ik kan schrijven hoe mooi hij is, alleen zo mooi kan ik niet schrijven. Dus probeer ik het op een andere manier. Het overkwam ons. Plots. Terwijl iedereen om ons heen al iets in de mot had. Wij niet. Wij waren beste vrienden. Dat het speciaal was voelden we aan vanaf het begin. Er is altijd een natuurlijke flou geweest. Allerlei golflengten liepen gelijk. En toen kwamen er diepere gevoelens met veel verwarring en vragen, en met horten en stoten een diepere erkenning naar elkaar.

In de eerste dagen van wat misschien ooit een relatie ging worden waren we vooral bang. Bang om elkaar te verliezen. Het was vertrouwd omdat we elkaar kenden. Het was vreemd omdat we elkaar kenden. Vriendschap zou boven alles staan. Alleen begon alles te zweven en moest er duidelijkheid komen. We waren bang voor het onbekende, voor onszelf, de omgeving, de relatie,… er heerste chaos en leuk pubergedrag. Tot eindelijk de woorden kwamen… Ik zie je graag Wim.

De terugkomst

Het verduisteren van de schaduwzijde

Toen ik een jaar geleden het webloggen stopte, berustte dat op een motivatie. Mijn leven veranderde op zodanig drastische wijze dat ik mezelf in de knoop had geschreven. Ik verklaar me nader. Het ging altijd over koetjes en kalfjes, terwijl in het echte leven er in de verste verten geen vee meer te zien was. Het schrijven over een veestapel hoeft natuurlijk op zich geen probleem te zijn. Of omgekeerd gezegd hoeft niet alles van mijn privé op straat te liggen. Het was alleen zo oppervlakkig geworden. Ik durfde niet de diepte in te gaan. Rond de pot draaien zei iemand me dit weekend. “Je zegt weinig met veel woorden”. Dat ik een heel voorzichtig mens ben zal daar wel voor iets tussen zitten. Maar net die behoedzaamheid begon ik beu te worden. Dat samen, met de evolutie in mijn leven zorgde er voor dat ik stopte met schrijven.

Je moet nu nog eens de tekst hierboven lezen. Veel woorden. Maar wat heb ik nu in feite verteld? Ik probeer het nog eens. Dit keer met één zin: Ik heb mezelf verbannen omdat ik bang was mij bloot te geven. En om het toch even te duiden: ik was het beu om mezelf op een zodanige manier te censureren dat ik mijn ei niet meer kwijt kon.

De terugkeer van een banneling

Toch zit ik al een tijd te broeden. Met de geruisloze aftocht in mijn achterhoofd, wou ik een niet al te heroïsche terugkeer. En er moest ook eerst het een en ander worden afgesloten. Tastbare zaken. Ook onzichtbare zaken. Al waren die waarschijnlijk merkbaar voor de buitenwereld.

De grootste onzichtbare obstakels waren de muren rondom mij, die ik in de loop van de jaren had opgetrokken. Achteraf gezien heb ik ze plots heel snel afgebroken. Nog steeds weet ik niet hoe ik het gedaan heb.  Ze waren opeens weg. Nu goed, een decennium kun je misschien niet al te snel noemen. Al die tijd bleef ik malen. Nadenken. Het is echter ironisch te moeten vaststellen dat net door minder te gaan nadenken en het loslaten van dat ik het zelf wel kon oplossen, ik een stuk verder kwam. Ik begon te communiceren. En met anderen. Zo van die levende wezens. Mensen! Dat was nieuw. Of het was toch al lang geleden. Zes miljard mensen rondom mij en ik had ze al die tijd niet opgemerkt.

De gedachte

Hoe dan ook, nadat ik deze morgen de deur achter mij dicht had getrokken en mijn stalen ros aan het bespringen was, moest ik aan iets denken. Gelukkig had ik vijf kilometer woon-werkverkeer voor de boeg. En dat aan 15 cent per kilometer! Ken je dat gevoel als je aan het rijden bent, of het nu met de auto of fiets is, je een eind van je afgelegde weg niet meer herinnert? Je ontwaakt plots een aantal honderd meter verder, en in het slechtste geval een paar kruis- en ronde punten dichter bij je eindbestemming.

Ik dacht en bleef denken: “En nu?” Het antwoord was even doordacht als de vraag: “Niet nadenken!”. En zo kwam ik even later aan op mijn werk. Uitgeput. Van het fietsen uiteraard. Het was wind tegen. Maar zonnig! Ik straalde en gleed gezwind mijn portefeuille over de prikklok. Piep.

Teloorgang en herstel

De ineenstorting van het imperium

Het is een jaar geleden. Zo snel gaat de tijd. De al bijna vastgeroeste machines werden toen van de een op de andere dag niet meer gesmeerd en vielen met horten en stoten stil. Er waren eerder al barsten verschenen in het lap- en tapwerk die het hele ding trachtte bijeen te houden. Toen ook die herstellingen bleken te falen, werd er besloten om de fabriek te sluiten.

Het gebouw staat er een jaar later nog. Slechts twee mensen – de twee – hebben de sleutel tot het afgetakelde fabrieksgebouw. Binnenin zie je ondertussen door de lagen stof alleen contouren van alles wat was. De paar intact zijnde waren, de kostbaarste, zijn door de twee afgelopen jaar weggesleept naar een soort van archief. Heel af en toe wordt het gebouw nog eens betreden. Op zeldzame keren wordt er nog wat uit het gebouw gered. De rest van de machines en materialen roest verder, tot het als as zal verdwijnen.

Tijd van wederopbouw

Maanden later zijn de twee nieuwe machines uit de grond aan het stampen. In twee moderne aparte fabrieken. Los van elkaar, maar verbonden door gedane kennis en emoties. Tussen al dat innovatieve geweld kun je soms een wisselstuk uit de oude fabriek bespeuren.

Ontkoppeld van elkaar, brengen ze elk hun onderneming naar een hoger niveau. Een hoogte waar het vroegere collectief nooit aan kon tippen, welke kwaliteiten het ook in huis had.

En toch, vandaag kunnen de twee niet volledig loslaten wat ooit was. Omdat er zoveel samen ondernomen is. Niet in het minst dat naast mislukking ook zoveel successen zijn geboekt. Deze successen zijn niet alleen  goede en blijvende herinneringen maar ze leggen de basis voor de toekomst van beide ondernemingen.

Dit verhaal gaat over één van de twee en zijn nieuwe onderneming. Ze zal onafscheidelijk verbonden blijven met de ander. Tegelijkertijd en noodzakelijk, losgerukt.

Collectie

Ergens in het afgetakeld fabrieksgebouw van het vorige imperium zit een kamer. Ik weet eigenlijk niet of hij nog bestaat. Ik herinner me hem des te beter. De weg naartoe wist uitsluitend ik. Gangen waren er niet. Enkel kamers, vertrekken, zalen. Je kon alleen via zware, met klinknagels versterkte, ijzeren deuren van kamer naar kamer. Helemaal diep vanbinnen zat de belangrijkste ruimte. De bibliotheek.

Zware kluisdeuren beletten dat iedereen zomaar de kamer kon betreden. Binnenin was het donker en enkele gloeilampjes moesten heel de ruimte voorzien van veel te weinig licht. Het aanwezige archief was netjes geklasseerd en zat in zware vergrendelde donkere eiken kasten die in rijen tegen elkaar stonden. Iedere kast had zijn tiendeling cijferslot. Soms vergat ik wel eens een code, weet je, zodat sommige stukken verloren gingen. Het waren duizenden, zo niet miljoenen cijfertjes die ik moest onthouden. Sommige codes heb ik echter laten verloren gaan. Omdat die inhoud nooit meer naar buiten mocht komen.

Het meeste van de verzameling is in de loop der tijden stilletjes naar de vergetelheid gegaan. Na jaren opbergen wist ik zelf niet meer wat er allemaal aanwezig was. Een catalogus ontbrak zodat opzoekingen geen zin hadden. Ik had ook geen geduld en tijd om de cijfercodes te kraken. Ik was immers met andere dingen bezig. Ik moest de machines draaiende houden. Zelfs de tijd om alles in het archief te klasseren was er niet meer op het eind van het imperium. Alles werd als een zootje in de kasten gedumpt. Ze werden wel allemaal vakkundig op slot gedaan.

Tot ik na de teloorgang van de fabriek, na maanden zwerven door de kamers op zoek naar wat fout was gegaan, ik plots voor de ijzeren kluisdeuren van de bibliotheek uitkwam. Ze stonden op een kier. Ik duwde voorzichtig de deuren open, trad naar binnen en aanschouwde de statige kasten. Ze waren best mooi. Nooit had ik de tijd genomen om eens echt de kamer in te kijken. Nu had ik tijd. De machines stonden immers stil. Ik bewoog me naar de eerste kast en probeerde het cijferslot te openen. Moeizaam. Dagen duurde het vooraleer ik de code kon kraken. Tot ik plots het systeem door had. Ik smeet het slot op de grond en deed de kast open. En daar stonden ze, te wachten op mij, jaren aan een stuk… mijn gedachten en herinneringen. Ik keek ze aan. Ik kon ze aankijken, na jaren negeren. Na jaren ontkennen. Ze gleden naar mij toe en ik slorpte ze op. Helemaal. Allemaal.

De dagen en maanden die volgden liep ik iedere kast af en snokte al de sloten met een ruk af. Ik zoog alle archiefstukken op en klasseerde ze opnieuw. In een nieuwe ruimte. In een modern gebouw met vele ramen en open deuren. De hele collectie werd netjes verwerkt en gecatalogeerd en in open rekken geplaatst. Zichtbaar, voor iedereen. Maar vooral, zichtbaar en klaar om te gebruiken door mezelf.