Kieming

Op 1 oktober van het jaar onzes Heren 2009 – een grote twee jaar geleden – schreef ik het volgende, met de titel over een koffie…:

Het besef kwam er toen ik deze morgen de Brusselse Metro uitwandelde met een zuigkoffie in de hand. Je kent het wel. De koffie in een kartonnen bekertje met plastieken dekseltje inclusief gat waaruit je je veel te hete koffie moet uitzuigen. Dat zuigen heb ik pas een maand geleden geleerd. Ervoor liet ik het gewoon lopen zodat het in de kortste keren aan het lekken was. Het besef dus, omdat ik altijd in Sex and the City die madammen met zo’n koffie zie rondhuppelen in New York. En daar zit em de hersenkronkel. Ik denk dat ik nog wel eens zou kunnen aarden in zo’n grote stad. Misschien omdat ik in een dorp als Bruhhe woon en niks gewoon ben. Maar pak nu eens Londen. Veel te duur, ik weet het. Maar stel. Je zit daar in het centrum met alles aan je voeten. Je pakt een metrostelletje en je zit aan de andere kant van de stad. Alle musea en theaters binnen handbereik. Leuk met je laptopje werken in een Starbucks lol. Leuke mensen om je heen. ‘k Heb nood aan een persoonlijke culturele revolutie. Misschien is dat het wel. En het platteland waar ik iedere dag vertoef? Ik weet niet of ik het zo veel zou missen. Denk ik.

Afscheid

Bekentenis

Dat er situaties verkeerd lopen en ik ze niet kon inzien… ik kon gewoonweg niet aan mezelf toegeven dat wat ik deed, onvoldoende was. Het duurde veel te lang tegen dat ook in mijn hoofd duidelijk werd dat het welzijn van Casper en Sem in het gedrang kwam. Laat ik eerst even het begin schetsen… terug naar de tijd van de twee in het hart van het imperium.

Casper kwam eerst. Als minibeest veroverde hij snel het huis en onze harten. Ook het mijne. Ik was niet degene die eerst over katten in huis halen begon. Ik werd overhaalt en heb daar tot op de dag van vandaag geen spijt van. Snel kwamen we tot de conclusie dat het beestje daar maar zielig alleen zat als we gingen werken. Sem kwam redelijk snel. Na een paar maand al. Poestieland werd geboren. Twee pluizebollen die niet zonder maar ook niet met elkaar konden. Het zorgde voor vertederende momenten en ook af en toe haren die in het rond vlogen. Alles was peis en vree… tot het imperium in elkaar stortte en de twee elk een andere koers gingen varen.

Ik bleef alleen achter in Brugge, samen met poestieland. In het begin had vooral Sem het moeilijk. Hij was zijn maatje kwijt. Casper is altijd meer aanhankelijk naar mij geweest. Het duurde een paar maand eer het evenwicht zich herstelde en Sem ook meer naar me toe kwam. Achteraf besef ik dat ik veel te weinig zelf naar de katten toestapte, veel te weinig speelde. Ze kregen ook minder huis ter beschikking. Omdat ik overal intensief moest gaan kuisen en stofzuigen waar ze kwamen. Ze zaten ook veel alleen thuis. Mijn drukke agenda stond meer en meer op afwezig. Als ik thuis kwam, stonden ze meestal aan het raam… te wachten. Hoe meer de maanden verstreken, hoe meer aandacht ze werkelijk vroegen… bij mij kwamen zitten, liggen, miauwen… ik beantwoorde het niet altijd. Of maar soms. Heel af en toe. Tot vorige week. Toen ging ik beseffen dat het niet meer op deze manier verder kon. Ik moest actie ondernemen. In het belang van Casper en Sem. Dit kan niet meer langer duren dan praktisch nodig.

Knopen

Tot op de dag van vandaag is er maar één fabriek herrezen. In Gent wordt er tegenwoordig een nieuwe fysieke fabriek gebouwd. Ik leef echter nog in de puinen van de twee. In het huis in Brugge, die het imperium een werkelijk fysiek gezicht gaf. Het vroegere nest. Voor mij nog geen nieuwe werkelijke onderneming. Echter in mijn hoofd ben ik knopen aan het doorhakken. Poestieland is de eerste grote verandering. Daarna wordt de fabriek voorgoed ontmanteld, zodat de twee in werkelijkheid en verder emotioneel kunnen afsluiten… en dat er een tweede nieuwe fabriek kan gebouwd worden… ergens anders. Daadwerkelijk. En niet enkel in mijn hoofd. Samen met Wim.

Poestieland verhuist eind deze week naar Gent. Definitief. Als de integratie tenminste goed gaat. Ze gaan het territorium van een rosse kater gaan indringen. Makkelijk gaat dat voor alle drie de poesties niet zijn. Op dit moment liggen Casper en Sem vredig naast elkaar te soezen. Absoluut niet wetende wat er binnen een paar dagen gaat gebeuren. Weg uit hun eigen leefomgeving. Nieuwe verhoudingen tegemoet. Naar twee baasjes die er voor hen daadwerkelijk zijn. En niet enkel om ze eten en drinken te geven. Ik ga ze missen. Alleen besef ik dat nog altijd niet op dit moment.

De rechtzetting

Zelf had ik het niet door, was ik me van geen kwaad bewust. Ik schrijf hier over de twee. Al een aantal weken. Alleen zag ik iets over het hoofd. Dat wil ik rechtzetten.

Gisteren waren de twee terug bijeen. Niet zomaar tussen de soep en de patatten. Integendeel. Veel werd gezegd. Veel werd gevoeld. Veel werd benoemd. Veel werd terug beleefd. We zaten in het nest. Samen met poestieland. Met vier. Dat was lang geleden. Maanden zelfs. En het deed deugd. Heel veel positieve verhalen werden opgehaald. Dat er een vriendschap is ontstaan uit zoveel ervaringen. Dat niemand ons echt kan begrijpen omdat we elkaar al zo lang kennen. Echt kennen. Dat dat bijzonder is. En nog bijzonder mag blijven.

Kaj, het spijt me dat ik je hier ogenschijnlijk als boeman deed afschilderen. Dat was niet de bedoeling. Ook al wist jij dat wel. Echter, mensen die dit verhaal lezen niet. Veel plezier met poestieland! Dat de integratie goed mag verlopen. Ik kom regelmatig op bezoek. Met blikken natvoer in plaats van bloemen.

Wallen en vesten

Wallen

Start werkweek minus 1 dag – In aangeschoten buien worden er wel eens afspraken gemaakt waar ge op het moment van afspraak zelf spijt van hebt. Zaterdagavond vielen de woorden: “Gaan we uit morgen?” Geen ziel die op dat moment aan werk en boterhammen verdienen dacht. We spraken gewoon af. De deal overleefde zelfs de zondagmiddag met cake, koffie en koekjes. De te verwachten weekenddip ging even snel weg als hij gekomen was.

Start werkweek minus 9 uur – Wij op weg van zondagnacht naar maandagmorgen, naar een feestje in hartje Brussel, op het moment dat mensen in bed liggen te dromen van hun aardige collega’s en kilo’s papier waar ze in de pas geboren week mee mogen werken. Gelukkig gingen we vroeg naar huis. Dat was de afspraak. Ik moest immers rond negenen des ochtend in Brugge aan mijn bureau staan…

Start werkweek minus 4 uur – Uren later zagen we in de oostelijke horizon de zon nog niet opkomen. Dat heb je met winterse nachten. We reden naar ons bedje die voor de gelegenheid in Gent stond. Omdat mijn bestemming Brugge maar een half uur verder was natuurlijk. Verkeer was er niet zodat we er een half uur langer dan normaal over deden om Brussel uit te raken. Alle tunnels waren gesloten. Alle verkeerslichten stonden op rood. Wij wachtten gedwee op ieder kruispunt en zagen alleen de lucht zich verplaatsen tot het iedere keer groen voor ons werd.

Start werkweek – De week begon uitgeput en met wallen waar ze in Amsterdam ongelofelijk jaloers zullen op zijn. Maar het feestje was zo fijn en leuk. En eigenlijk val ik niet zo op tussen mijn collega’s met snotvallingen en huilbaby’s. Die maken dat iedere nacht mee. Naar het schijnt. En spijt van het feestje? No way. We gaan binnen drie weken terug! Dan neem ik vakantie de maandag. En dinsdag.

Vesten

Het schiet me trouwens te binnen dat het me al eens overkomen is. Toen was ik net achttien en nog niet verdikt en terug vermagerd. En het gebeurde op een fuif achter de schermen. Deze keer in de trein. Misschien moet ik beginnen bij het begin. Een week geleden. Op een zaterdagavond tussen BXL Noord en Zuid.

Ergens in het midden van een treinwagon zaten we met twee, half ingedommeld, met een boek op onze schoot. Op een bepaald moment zag ik met een half open oog de bordjes ‘Brussel Centraal’ passeren. Enkele seconden later, wanneer de treindeuren ‘piiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiieeeeeeeeeeeep’ piepten, kwam er een jonge gast voorbij en liet zijn kleingeld, toevallig en accidenteel op de grond vallen. Tussen mijn benen. Duikt die gast daar wel niet onmiddellijk tussen? Wie het gezien heeft van buitenaf zal zeker dubbelzinnige bedenkingen gehad hebben. Een halve minuut later was alles van de grond geraapt en liep dienen naar buiten. Spannend hé!

en sjakossen

Waar was de politie? Die zie je alleen maar als het voetbal is! In grote getale! Moet ik daarvoor belastingen betalen? Ik ga nooit naar de voetbal! Maar als een simpele werkmens op de trein zit, zie je ze niet. Straks moet ik nog op de N-VA stemmen omdat ik een malcontente Vlaming ben! En al die vreemdelingen! Die pakken ons werk af! En onze vesten! En sjakossen! En maar geld in de sociale zekerheid pompen om die Walen te sponseren. Maar die helpen mij niet als ik op een trein van Wallonië naar Vlaanderen zit. Ha! Waar is de solidariteit dan gebleven? Zij zagen toch ook dat een dief achter mijn eigen, kromgewerkte rug, mijn spullen aan het stelen was. Moesten die politiekers nu een keer met de trein komen in plaats van met hun grote sjieke bakken,  ze zouden tenminste zien in wat voor miserie wij hier moeten leven! En wat zou het eigenlijk allemaal helpen. Als ze de gangsters in het gevang steken, zijn ze toch weer vrij na een half uur! En het wc-papier was op in de wc van de trein!

Het was mijn eigen stomme schuld om mijn spullen onbewaakt boven onze hoofden te leggen. Jas gestolen. Tas gestolen met als inhoud tandenborstels, deodorant en t-shirts. Gelukkig geen portefeuille of gsm. Geen gewonden gevallen. We zagen het trouwens pas toen we in Brugge aankwamen dat we de boel ‘kwijt’ waren. De volgende keer pak ik mijn sjakos op mijn schoot. Gelijk de oude vrouwkes.

Vluchtmisdrijf

Kennen jullie dat gevoel? Dat er al een tijd iets niet klopt. Je het ergens wel weet, alleen niet durft luidop tegen je gedachten te zeggen. Dat het soms heel lang duurt vooraleer je het er op waagt toe te geven dat er iets fout loopt. Je de waarheid niet wil of kan zien en maar doet alsof er niets aan de hand is. Of net het omgekeerde doen, om zeker niet aan anderen te tonen hoe de zaak in elkaar zit.

Wel dat, dat kom ik net te vaak tegen. Ik wou dat ik in de verleden tijd kon schrijven. Dat ik kan toegeven. Tegen mezelf. Om te beginnen. In het welzijn van mezelf. Daarna van anderen.

Dat het hard aan zal komen. En dat wij dit allemaal nog niet beseffen.

Een zielepoot gelijk ik.

Een onherbergzaam hoopje

Het valt me wat tegen. Zeker na twee weken vakantie. Het voelt heel erg aan. Een gevoel van zieligheid bekruipt me. Terwijl ik schijnbaar geen reden heb. Ik bedoel, als ik er gewoon objectief naar kijk is er geen reden. Maar gevoelens zijn natuurlijk niet altijd objectief. Ze kunnen je om de tuin leiden. Zoals het gevoel van eenzaamheid die nu in mijn hoofd rondsluipt.

Dat klinkt redelijk belachelijk. Zeker omdat ik afgelopen twee weken samen met mijn lief was. Dat was daarvoor ook al, maar ik in Brugge, hij in Brussel. En dat het gewoon net daarom is dat ik mij nu ellendig alleen voel. Heel even proefden we van samen leven. Heel even… En net op dit moment, wanneer ik in de grootste dip van de avond ben gesukkeld, ben ik beginnen schrijven aan dit berichtje. Terwijl ik het over plezantere dinges wou hebben. Zoals, nou ja, laat het nu ook maar.

Zielig, die zieligheid

Ek wul kraak piep. HHHHHHHHHMMMM. Zo. Eerst even mijn ochtendstem weg moeten schrapen. Ze klonk als een gevangenisdeur die na vier jaar terug voor de eerste keer werd geopend. Ochtendlijk schrijven vanuit bed is toch een aparte belevenis. Normaal sta ik nu op om naar mijn werk te strompelen. Het moet er alleen eerst even uit. Omdat ik nogal goed geluimd ben om uit mijn bedkamer te stappen en dat nogal tegenstrijdig is met die zieligaard van een paar uur geleden. Ik zit met mijn rug tegen het hoofdeinde met het hoofdkussen daar nog ergens tussen gepropt. Dat mijn bovenbenen nogal warm worden van mijn hete laptop proberen mijn hersenen uit te schakelen. Wedden dat jullie afvragen of ik überhaupt iets van nachtelijke klederdracht draag? Alleszins niet zo’n sponzen pyjama.  Enfin. Ik begin dus opnieuw met dit bericht. En dat zonder koffie op mijn nuchtere maag.

Ik wil er komaf mee maken: Dat zielig gevoel die plots uit het niets en niemendal mijn hersenspieren doet verlammen. Dan wil ik mij zo nietig en klein tegelijkertijd voelen. Dat heel de wereld rond me staat te wenen en te krijsen hoe miserabel ik wel niet ben. Vergelijk mijn gemoedstoestand met een kom spaghetti die een uur te lang gekookt is. Dat wordt ook een futloze drap. Ik voel alle energie uit me vallen tot er alleen een lamlendige vleesmassa overschiet, die dan ook nog eens in elkaar zakt op een ijzig koude beton. Of vergelijk het wanneer je als het ware en op geheel empirische wijze aan het altaar zou staan en je geliefde geeneens neen zou zeggen op het moment van het jawoord en gewoon wegloopt en vlucht via een in de lucht hangende touwladder die leidt naar een, weliswaar traag, voorbijvliegende helikopter. Daar zou je ook niet goed van zijn. Ewel dat gevoel.

Of gelijk een ontplofte bitterbal. Ik probeer ook maar mijn best te doen mijn emotie van gisterenavond uit te leggen. Ik voelde me helegans tragisch, afgelegen, beklagenswaardig, treurig, afgezonderd, meelijwekkend, sneu, eenzaam, troosteloos en droevig op de koop toe en dat op hetzelfde moment en gecumuleerd. Moeilijk om een gevoel uit te leggen. Ik weet niet zeker of jullie iet of wat mee zijn in welke emotionele toestand ik me gisteren bevond?

Er rest mij één vraag. Hoe kan ik op dat ogenblik uit dat uiterst onaangenaam sentiment stappen? Zonder in bed te kruipen en te liggen woelen tot ik toevallig in slaap sukkel en merk des ochtends dat het allemaal over is. Vanzelf. “Ge moet gaan werken en ge moet nog uw haar omhoog blazen” zeg ik abrupt tegen mezelf.

Haarhendel

Toen ik deze ochtend in mijn auto stapte moest ik eerst mijn zetel naar beneden pompen. Ik doe dat met wat ik zelf noem, de haarhendel. Hoe die in werkelijkheid heet moet ik eens opzoeken in de gebruiksaanwijzingen van mijn auto. Ik heb die trouwens overlaatst weggesmeten. Ik was toch niets met de Franse versie. De Nederlandse zit ergens in een verborgen luikje in mijn dashboard. Aangezien ik altijd zelf rijd kan ik die niet op mijn gemak lezen. De haarhendel dus, waarmee ik met spierkracht de bestuurderszetel een tiental centimeter heb laten zakken. Wegens mijn haar die vermassacreerd zou zijn geweest moest ik dat niet gedaan hebben. Het stond immers recht omhoog geblazen. Ik had geen zin om mijn blaaswerk zomaar tegen mijn autoplafond te smeren.

Dat mijn haar naar de hemel wijst is een goed teken. Het betekent dat ik op die dag goed in mijn vel zit. De omgekeerde redenering geldt trouwens niet. Wanneer het gelijk een plat gestampte vijg op mijn kop ligt, wil niet zeggen dat ik per definitie mottig ben opgestaan. Het kan ook luiheid zijn. Of geen inspiratie hebben, maar dat leunt in mijn geval eigenlijk al tegen mottig zijn.

Nu zit ik alleen nog met dat zielige gevoel in mijn maag. En omdat het over is, heb ik er niet veel zin in om te achterhalen waarom die plotselinge teneergeslagenheid van eergisterenavond zo erg was. En mijn lief is trouwens aan het skypen. Met mij. Dus mijn aandacht gaat enigszins door de draden van de draadloze verbinding. Misschien dat ik me volgende week terug zielig ga voelen. Dan onderneem ik nog een poging. Of spreek ik gewoon af met mensen. Dat helpt naar het schijnt ook.

Over een zatte bedoening.

Feestje!

Ieder jaar is er een feestje waar er tussen een massa mensen, een groep vrienden aan het rondzwalpen is. Die vrienden komen elkaar trouwens regelmatig tegen – in een of andere formatie, dat maakt niet uit –  op leuke en gezellige activiteiten. Dit feestje is anders. En waarom het dit feestje is, is waarschijnlijk eerder toevallig. Alhoewel. Het is een feestje waar we allemaal aanwezig zijn, buiten soms es een uitzondering maar desalniettemin ook tot de groep behoort. De drank vloeit er rijkelijk en het is in de wazige nevelen van alcohol dat er dingen naar boven borrelen die anders diep verstopt zitten in elk van ons. Gevoelens die nooit of te weinig het daglicht zien. Omdat… ik weet het niet. Of toch. Ik heb daar een standpunt in. Mijn mening. En dat hoeft niet die van jullie te zijn. Het is hoe ik naar de groep kijk. Via andere prioriteiten en andere belangrijke gebeurtenissen dan die van elk van jullie. Het is misschien uit een bezorgdheid dat ik dit schrijf. Ook uit een evolutie van mijn persoon. Omdat ik nu pas open sta om gevoelens van jullie te krijgen. Omdat ik nu pas leer hoe ik gevoelens kan geven. Ik kon ze nooit geven. Omdat ik gesloten was, ik mezelf niet kon en wou blootgeven. Omdat ik bang was te tonen wie ik echt ben. Het is pas nadat ik mezelf accepteerde, ik kan geven en bijgevolg ook kan krijgen. Het is een wisselwerking. In één richting werken gaat niet. Je kunt niet geven zonder te krijgen, niet krijgen zonder te geven…

Beste vrienden

En toch. Ik geef me bloot met woorden. Geschreven woorden. Hier. Op deze plaats. Is het dan wel echt? Gemeend? Meer dan met gesproken woorden? Schuil ik mij niet achter een computer? Neem ik niet de makkelijke weg? Ik kan wel zeggen dat ik er ben. Maar ben ik er wel? En zijn jullie daar klaar voor. Staan jullie daar op te wachten? Misschien heeft niet iedereen nood aan het zich opengooien?

Toch wil ik op deze manier een teken geven. Niet alleen aan een select groepje. Niet alleen aan een persoon. Gewoon, iedereen die er open voor staat. Mensen die mij aanspraken de laatste tijd. Mensen die dit nog niet deden. Mensen die ik aansprak en mensen die wachten om aangesproken te worden. Omdat ik en jullie nood hebben om te praten. Serieus? Niet altijd. Het mag ook lucht zijn. Geen gebakken lucht. Niks moet. Vooral, niks moet.

Dat er daar een feestje voor moet zijn is eigenlijk al te gek. Is dit typisch iets Vlaams? Zwijgen… niet kunnen zeggen wat er in je om gaat? Altijd met omwegen iets proberen zeggen? Vage signalen geven, zodat de ander maar moet raden dat er iets scheelt? Waarom kunnen wij niet gewoon communiceren met elkaar? We moeten ons toch niet altijd beter voordoen dan de werkelijkheid is? Waarom ondervind ik als ik echt praat met mensen, dat die met dezelfde zorgen zitten? En waarom heb ik dit niet eerder gedaan? Waarom doen jullie dat ook niet? Het lucht zo op. Dit te kunnen zeggen. Hier. Zonder omweg.

En vooral, niks moet.

Lui en stout

IJver en vlijt

Naar het schijnt bestaan er mensen die iedere dag hun huis proper houden aan de hand van kuisgerief en zepen in allerhande bussen en elektrische apparaten die kunnen zuigen en al! Het vermoeden, dat jullie immer propere lezers, van mij zullen hebben na deze inleidende zinsconstructie, is dat ik waarschijnlijk op een mesthoop woon. Ik weet het eigenlijk niet. Ik veronderstel dat hier vroeger weilanden waren. En als er toevallig een hofstede in de buurt zou gestaan hebben, is er een, weliswaar kleine, kans dat hier vroeger een mesthoop heeft gelegen.  Ik zal eens vragen aan de archeoloog van mijn werk of ie kan komen graven. Buiten zijn uren natuurlijk, als liefhebberij.

Voor ik mijn poetsimago helemaal om zeep ga helpen, wil ik enige uitleg verschaffen. Van mezelf vind ik dat ik dat redelijk doe. Het ligt hier niet vol met blikken bier en lege zakken chips gelijk bij de marginalen thuis. Hoogstens wat lege koppen koffie en soms een plastiek zak waar de katten graag mee spelen. Ik kan hun speeltje toch niet zomaar weggooien hé. Van die stofbakken gesproken, die poezebeesten zijn een hel gelijk! Ik moet hier minstens om de twee dagen haren zuigen. Ik heb al ettelijke pluchen beesten kunnen vullen met wat er uit de zakloze stofzuiger komt.

Enig lichtpuntje in deze sobere kuiswereld is dat ik een tiendelige set borden en kopjes heb. Bestek is er in overvloed. Ik denk zestiendelig. Dat is praktisch wanneer ik de afwas eens laat staan. De was ligt voor altijd te drogen in de muziekkamer. Handig! Ik kan gewoon de deur sluiten als er eventuele bezoekers komen. Niet dat iedereen hier naar boven komt. Dat is per abuis of in uitzonderlijke gevallen. De was is trouwens een goede geluidsabsorberende materie voor als ik daar aan het repeteren ben! Anders lijkt het of ik in een kerk zit te spelen. Of ergens in de alpen om toch niet helemaal te overdrijven.

En waarom ik dit schrijf? Gewoon omdat ik eigenlijk al een paar uur zou moeten aan de afwas, stofzuig en kuis zitten en ik niet echt veel goesting heb en alle afleiding gebruik om er maar niet aan te hoeven beginnen en het eigenlijk al over middernacht is en ik de buren niet meer wil wakker maken en ik mijn komende genodigden wil waarschuwen voor eventuele vuilnisbelten her en der. Al kan dit bericht met enig drama en opgeblazen overdrijving worden geïnterpreteerd.

Wie stout is de roe!

Terug in de tijd, naar de 11 novembers van mijn jeugd. Toen ik nog blonde lokken had. Of neen, iets later. Want dat van die blonde haren ken ik alleen van op foto en ik heb daar geen herinneringen meer van. Het was in de tijd dat de Sint nog kwam en mijn schoentje vulde met lekkers en boerderijen. Of een campingkar van Playmobil. Die later vakkundig werd gemolesteerd door Benny, mijn zus. Over de ontstaansgeschiedenis van Benny schrijf ik nog wel eens. Als ik mag. Dat ga ik in het echt moeten vragen. Ik weet niet zeker of Benny akkoord is dat ik haar naam hier zomaar op het wereldwijde webgebeuren plaats.

“De Sint?” hoor ik jullie denken? (Behalve bepaalde Zuid-West-Vlamingen en die Aalstenaar die hier toevallig verzeild is). Sint-Maarten was de goede Sint die in mijn jeugd kwam aangetreden met naast hem een Zwarte Piet. Dat die twee figuren verdacht veel op Sinterklaas en zijn Zwarte Piet lijkten vonden we normaal. Wij hadden daar geen mening over. Dat was allemaal hetzelfde. Alleen een andere man. En een andere datum. Maar dezelfde liedjes!

Ieder jaar kwam de goede Sint naar de parochiezaal om daar ons één voor één op zijn schoot te hijsen. Dat waren nogal tijden. Geen ouder die toen bang was dat die oude man ons ging toucheren. Frappant was dat hij uit zijn grote boek voorlas en onze stoutste ongehoorzaamheden voor heel de zaal verkondigde! Wij waren echt bang van die man! Hoewel ze altijd dreigden om stoute kinderen in de zak te steken, is er nooit iemand vermist geweest. Zelfs de echte ambetanteriken niet. En ook niet de kinderen die mijn Playmobil attaqueerden!

Terug naar het imperium

Leerproces

Iemand zei me vorige week, en ik zet zijn woorden om hoe ik het verstaan heb: “Ik heb in een toneelstuk nooit de bedoeling om mensen mijn eigen mening of verklaring te geven, enkel ze een versie te geven waar ze kunnen over nadenken en een mening vormen”. Ik kwam tot het besef dat ik meestal mijn interpretatie en denkbeelden aan mensen probeer aan te smeren. Om eens mijn versie in hun gedachten te proppen, zodat ze serieuze flarden zouden overnemen. Bestoken mag ik het wel noemen. Alsof ik de enige waarheid in pacht heb.

Misschien moet ik die paternalistische gedachte laten varen! Want zeg nu zelf. Wat weet ik nu van het leven? Ik ben tweeëndertig. Denkend dat ik al zoveel heb meegemaakt, terwijl ik nog niet eens echte miserie heb gekend. Wel zorgen en problemen. Ik ben daar uitgeraakt. Heel goed zelfs. En nu definieer ik mijn onderwerp van dit bericht: ik heb het op zo’n goede manier gedaan dat ik dat wil delen met anderen. Dat ze die manier moeten gebruiken om uit hun zorgen te raken. Alleen maak ik hiermee een fout van kapitaal belang. Het is mijn goede manier. Met de op dat moment zijnde gevoelens, waarden, ervaringen, gebeurtenissen,… en mensen om me heen. Het zou wel zot zijn moesten al die randvoorwaarden bij iemand anders knal dezelfde zijn.

Daarom wil ik proberen nuances in mijn hulpvaardigheden naar anderen te steken. Ik kreeg dat bijgebracht in de periode van de twee. Het is echter niet makkelijk. Ik val heel veel terug op mijn eigen ervaringen en projecteer die al te makkelijk op een ander. En dan raak ik gefrustreerd omdat ze het niet altijd begrijpen. Ik moet leren begrijpen dat zij mijn ervaring niet kunnen interpreteren en begrijpen zoals ik dat doe. Begrijp je? Ik kan mijn ervaring wel delen met anderen. Ik kan ze echter niet overdragen. Ervaringen zijn niet te projecteren op een ander. Ervaring moet je zelf ervaren. En als je dat begrijpt, lukt het misschien beter om er te zijn voor iemand. Maar met dit opdringerig bericht van hoe je dat moet begrijpen bestook ik jullie, teergeliefde lezers, en heb ik mezelf in een kringverwijzing geschreven.

Een reis en weer terug

Offline

Vreemd. Ik tokkel nu op mijn computer. Ergens tussen Brugge en Brussel. Zonder internetverbinding. Mijn iPhone even buiten beschouwing gelaten. En eigenlijk werkt dat ding niet in de trein. De verbinding valt meer uit dan het aantal minuten deze trein zal te laat aankomen. Dus laat ik het beestje voor wat het is en typ ik verder. Offline.

Ik ben dat niet gewoon, weet je. Ik ben dag en nacht verbonden met internet. Op ieder moment kan ik de wereld in de gaten houden. Checken waar mijn vrienden, kennissen, familie en onbekenden mee bezig zijn. En dat is nogal wat. Moest ik daar mijn beroep van maken, klopte ik overuren en kreeg ik na een week stress en een briefje van meneer doktoor. “Ik schrijf u voor: Offline.”

Er zijn weinig momenten dat ik niet online ben. Behalve als ik slaap. En dan nog. De laatste beweging van de dag is mijn telefoon weg leggen. Het eerste wat ik doe als ik nog niet eens opgestaan ben is mijn telefoon van mijn nachtkastje weggrissen en beginnen lezen. Als ik de slaap niet kan vatten,… vul zelf maar in. Ik woon alleen. Misschien zal die gewoonte wegvallen als ik samenwoon. Mag ik hopen. Mijn lief zal wel voor de nodige afleidingsmanoeuvres zorgen…

Verslaafd? Hoh, waarom zou ik het zo niet noemen? Ik kan wel zeggen dat, als ik in het buitenland ben, ik niet echt afkickverschijnselen heb. Dan floept internet, ik schat, maar 4 keer per dag voor 5 minuten aan. Niet dat het veel is, maar het floept wel. Was het niet van kostelijke grappen op mijn rekening, dan stond offline niet eens in mijn buitenlands woordenboek.

Het begon allemaal toen ik dat dekselse data-abonnement aanschafte. Na een paar uur was ik vertrokken. Vanzelf. Eerst zei ik nog dat het gemakkelijk was om buienradar te raadplegen, de treinuren op te zoeken en mijn agenda bij te houden. In de praktijk was het statussen op Facebook updaten, foto’s instagrammen, tweets lezen en op alle soorten van sociale media aanwezig zijn. Het gevoel verbonden te zijn met zoveel mensen, zoveel leuke mensen. Wat kan er verkeerd aan zijn?

Het gebrek aan aandacht voor de mensen rondom mij! De echte, levende, van vlees en bloed zijnde mensen. Die altijd die paar seconden moeten on hold staan als ik mijn apps op mijn telefoon even moet doorlopen. Misschien moet ik niet tot nieuwjaar wachten om een goed voornemen te hebben. Laat ik vanaf nu het gros van de dag offline zijn. Het zal niet makkelijk zijn, maar de mensen om me heen zullen wel ingrijpen. Want… jullie lezen dit hé! ;-)

En heb genade in het begin…

Openbaar vervoer

Ik moet er aan wennen. Nooit heb ik zoveel gebruik gemaakt van bus, metro, tram en trein als het laatste jaar. Uit financiële overwegingen. Dat het goedkoper reizen is dan met de auto. In de veronderstelling dat je alleen aan het reizen bent. Terwijl je eigenlijk nooit alleen aan het reizen bent.

Algauw merk je de beperkingen.

Dat je met de auto, buiten de spitsuren, veel sneller bent. Dat je niet moet wachten tot je auto op een bepaald uur komt opdagen.  Dat je vanaf je deur met de auto meteen vertrekt richting eindbestemming. Dat je in je auto altijd plaats hebt om te zitten. Dat je met je auto in het hol van Pluto kunt raken. Dat je bij nachte gewoon met je auto terug naar huis kan rijden. Dat je in de auto met de muziek kunt meebrullen. Dat de parking voor je auto wel heel duur is.  Dat je niet kunt lezen terwijl je met de auto aan het rijden bent. Dat je ’s ochtends niet poepeloere zat de eerste auto naar huis kan nemen. Dat je de auto één keer per jaar dringend moet kuisen. Dat je met de auto, binnen de spitsuren, veel trager bent.

En dat het rustig was deze morgen rond half zeven in de metro. Maar wie moet er nu van Brussel naar Brugge zo vroeg in de ochtend?

Over mij en haar

Met mijn haar

Gisteren heb ik mij laten knippen. Mijn haar hé, zoals de titel ook al liet vermoeden. Ik ga daarvoor naar Brussel. Gewoon. Omdat ik geen bekwame coiffeurs ken in de rest van Europa. Dat mijn lief er voor iets tussen zit, is al wat dichter bij de waarheid. Die gaat te voet naar Gilbert en Jean-Jacques. En ik sinds vorige keer ook. Dat ik daarvoor anderhalf uur respectievelijk op de fiets, trein en metro moet zitten, verzwijg ik even. Pas op, laatst zag ik een filiaal van Gilbert en Jean-Jacques in Rome. Dat is met het vliegtuig. Dus zo overdreven doe ik ook weer niet.

Het ritueel om naar de kapper gaan, start altijd een paar weken eerder. Dan vraag ik aan mijn vrienden of ik mijn haar lang moet laten of kort moet knippen. De meningen zijn altijd verdeeld. Doorgaans kiezen de vrouwen voor lang. Omdat ze dat sexyer vinden bij mannen. De jongeheren van rond mijn leeftijd gaan meestal voor kort. Omdat ik er dan jonger uitzie is de motivatie. En “Ge ziet er uit gelijk Justin Bieber” kreeg ik ook eens naar mijn kop met twee maand lang haar geslingerd. Ikzelf heb een nogal verdeelde mening die wijzigt naargelang de stand van de maan.

Dus had de kapper de eer om er iets van te maken. Mijn haren vlogen serieus in het rond.  Niet dat hij zo wild was, maar ge kunt van mijn stijle haar tandenborstels maken. En dat springt nogal. Het bleef echter spannend tot op vijf minuten van de finish. Toen zette hij pas serieus de schaar in mijn emolokken vooraan en kortwiekte ze met enkele centimeters…

Kort, noch lang. Zo moet ik mijn nieuwe haar omschrijven. Op dit ogenblik kort genoeg om het iedere dag een kwartier lang naar alle windstreken te blazen. Binnen enkele weken, als ik dat feunen moe ben, lang genoeg om het Biebergewijs te laten liggen. En dan kan ik terug het ritueel starten en de vraag stellen.

Bloedbad

Over haar gesproken. Mijn haar föhnen (bij deze is mijn taalfout uit mijn vorig bericht rechtgezet) doe ik iedere dag. Ik zie dat ook zitten! Je hebt daar een zekere creativiteit en resultaat mee. Maar waarom heeft God dan nog haar op mijn kaken en kinnebak voorzien? En dat dat persé nog zo snel moet groeien! Dat heeft toch voor niets en niemendal zin? Je moet dat ne keer beginnen bijhouden om altijd, zoals in de reclame, glad uit te zien. En bloeden! En tegen dat al die wonden dicht geslibd raken! Om nog maar te zwijgen van alle miserie die je krijgt als zo’n wondje een paar uur later open gaat. Vooral in vergaderingen of restaurant of trein of erger: ik ben eens midden in een solo moet stoppen met spelen omdat een wondje danig begon te bloeden. Op een repetitie weliswaar. Maar ik zat daar mijn kaak te deppen, terwijl de dirigent die mij nodig had.

De reden van al die bloedgevallen zal wel mijn autodidactisch en ongeduldig rakelen zijn. En dan nog met van die wegwerpspullementen. En heel waarschijnlijk ook wel het aantal dagen dat er tussen zit. Vergelijk het gras afrijden na 3 weken. Dat gaat ook niet bijzonder vanzelf. Misschien had ik voor mijn verjaardag een echt ding moeten vragen. Zo’n, door ingenieurs uitgevonden 34-delige messenset met rubberen handvat. Of ik moet iedere dag naar een snelle barbier gaan.

De huidige toestand

Leefwereld

Het laatste jaar zijn de verhoudingen zo omgedraaid dat ik van het mooie en vredige stadje waar ik vertoef, er een saai oord van heb gemaakt. Ik heb het geprobeerd, maar de stad heeft gewonnen. Ik raak er niet binnen. Moeilijk is het om een deel van het volk te worden. Daarbij moet ik zeker de hand in eigen boezem steken. Meer en meer trok ik de laatste jaren het binnenland in. Omdat er daar, naar mijn bescheiden mening, meer te doen was.

Na lange tijd kwaad en ellendig te hebben gekeken naar het ‘grote dorp’ kan ik niet anders dan toegeven: ik ben niet gemaakt om het hier nog langer uit te zingen. Niet dat het altijd kommer en kwel is geweest. Maar uiteindelijk doe ik hier niets anders dan wonen en werken  (en naar de muziekschool en de academie gaan). Toevallig dingen waar de mensen het meeste belang aan hechten. Ik zie echter één ding niet in mijn lijstje: leven.

Dit tekstje mag dan wel heel kort door de bocht zijn. Het vertelt uiteindelijk wel de essentie van de verhouding met, voorlopig nog, mijn stad, Brugge. Ik weet niet of ik nog meer uitleg zal geven komende tijd. Misschien heb ik het onderwerp afgesloten en kijk ik nu alleen nog naar de toekomst. Naar een nieuwe stad. Eentje die al in mijn hoofd zit. En daar nog wel heel even blijft.

You’re my best friend

Ik kan schrijven hoe mooi hij is, alleen zo mooi kan ik niet schrijven. Dus probeer ik het op een andere manier. Het overkwam ons. Plots. Terwijl iedereen om ons heen al iets in de mot had. Wij niet. Wij waren beste vrienden. Dat het speciaal was voelden we aan vanaf het begin. Er is altijd een natuurlijke flou geweest. Allerlei golflengten liepen gelijk. En toen kwamen er diepere gevoelens met veel verwarring en vragen, en met horten en stoten een diepere erkenning naar elkaar.

In de eerste dagen van wat misschien ooit een relatie ging worden waren we vooral bang. Bang om elkaar te verliezen. Het was vertrouwd omdat we elkaar kenden. Het was vreemd omdat we elkaar kenden. Vriendschap zou boven alles staan. Alleen begon alles te zweven en moest er duidelijkheid komen. We waren bang voor het onbekende, voor onszelf, de omgeving, de relatie,… er heerste chaos en leuk pubergedrag. Tot eindelijk de woorden kwamen… Ik zie je graag Wim.